Vlaming werkt minder vaak met tijdelijk contract

Vooral jongeren zijn aan de slag met een tijdelijk contract, vaak via uitzendwerk, als eerste kennismaking met de arbeidsmarkt.

Steeds minder Vlamingen werken met een tijdelijk contract. Dat blijkt uit cijfers van het Steunpunt WSE van de KU Leuven. Vorig jaar ging het nog om 6,6 procent van de werknemers.

Het aandeel loontrekkende werknemers dat in één of andere vorm van tijdelijke arbeid werkt, schommelde in Vlaanderen de laatste drie decennia tussen vier en tien procent. Vooral vanaf midden jaren negentig kende tijdelijke arbeid, waar niet alleen contracten van bepaalde duur maar ook uitzend- er seizoensarbeid onder vallen, een sterke groei. In 1999 werkte 9,5 procent van de Vlaamse werknemers met een tijdelijk contract. In 1993 was dat maar 4,3 procent.

Vanaf 2000 kwam er een eind aan die groei. De jaren daarna daalde het aandeel loontrekkenden in tijdelijke arbeid langzaam maar zeker, om in 2003 te stabiliseren rond de 7 procent. De financieel-economische crisis zorgde enkele jaren later voor een nieuwe terugval. In 2013 tikte het aandeel werknemers met een tijdelijk contract af op 6,6 procent. Dat zijn ongeveer 154.000 loontrekkenden.

Onder Europees gemiddelde

Vooral jongeren zijn aan de slag met een tijdelijk contract, vaak via uitzendwerk, als eerste kennismaking met de arbeidsmarkt. Van de 15- tot 24-jarigen was de laatste jaren 25 tot 30 procent aan de slag met een tijdelijk contract. In 2013 ging het om 53.000 jongeren.

Opvallend is dat tijdelijke contracten veel meer voorkomen in andere Europese landen. In 1999 was 13,3 procent van alle arbeidscontracten in Europa tijdelijk van aard, tegenover 9,5 procent in het Vlaams Gewest. In 2013 was het verschil nog groter: 13,8 procent in Europa tegenover 6,6 procent in Vlaanderen.

Hetzelfde verhaal geldt voor de jongeren. In 1999 was 32,9 procent van de Vlaamse 15- tot 24-jarige werknemers aan het werk met een tijdelijk contract. In Europa was dat een pak meer: 39,2 procent. In 2013 waren er in Vlaanderen minder jongeren met een tijdelijk contract (27,6%), terwijl het er in Europa net meer waren (43,2%).

Minder avond- en nachtwerk

Andere vormen van flexibiliteit zijn de atypische arbeidsstelsels waarbij op afwijkende uren wordt gewerkt. Het gaat het onder meer over avond- en nachtwerk, twee arbeidsvormen die de laatste jaren afnamen in gebruik. In 2000 werkte 12 procent van alle loontrekkenden in Vlaanderen ’s avonds. In 2013 was dit teruggelopen tot 8,6 procent.

Nachtwerk, dat in 2000 door 4,8 procent van de loontrekkenden op regelmatige basis werd verricht, kende eveneens een terugval en was anno 2013 nog goed voor 2,9 procent. Het aandeel loontrekkenden dat in ploegen werkt, nam ook af. In 2000 werkte ruim één op de tien Vlaamse loontrekkenden in een ploegenstelsel (10,6%). In 2013 ging het nog om 8 procent. Deze dalende trends zijn sectorgebonden. Zo gaat de afbouw ervan samen met de dalende tewerkstelling in de industrie, waar traditioneel veel avond- en nachtarbeiders actief zijn, en waar vaak in ploegen wordt gewerkt.

Meer weekendwerk

Het aandeel loontrekkenden dat op weekenddagen werkt, neemt wel toe. Zaterdagwerk was in Vlaanderen in 2000 gebruikelijk voor 12,3 procent van de loontrekkenden, zondagwerk voor 7,1 procent. In 2013 was het aandeel zaterdagwerk gestegen naar 16,2 procent en het aandeel zondagwerk naar 9,4 procent.

Ook deze evoluties zijn vanuit sectoraal oogpunt te verklaren. In de handel en de distributie, die voor meer jobs zorgen, wordt vaak op zaterdag gewerkt. In de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening is ook zondagswerk heel gewoon.

(wv) 

Meer info over Soorten contracten , Proefperiode , Carrière , Interim

16/02/2015