Martelkamer

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Vorig jaar verscheen zjin tweede roman Donderhart.

Tegenwoordig verdien ik mijn geld in een martelkamer. Nee, dit is geen dichterlijke vrijheid.

Aangename bijkomstigheid van het werken aan Nederlands oudste universiteit is het decorum. Er zijn vaste feestdagen met orgelmuziek en jenever. Er zijn af en toe optochten met door motten aangevreten banieren en iemand van het koningshuis. Willem van Oranje, verre voorvader van Beatrix, richtte namelijk de Leidse universiteit op.

Wie maar lang genoeg bezig blijft, wordt vanzelf de moeite waard. Of ziet er op zijn minst zo uit. Zo beheert de universiteit een paar panden die onbetaalbaar zijn geworden voor de vreemde buitenwereld die niet Academia is. Een daarvan is een kasteel uit de dertiende eeuw, oorspronkelijk bedoeld als privégevangenis voor de graven van Holland. Met inderdaad nog steeds intacte kerkers. Op de deuren zit een slot zo groot als een telefoonboek. Ik kijk uit op de voormalige executiepaal.

Met het betrekken van de nieuwe kantoorpanden, lijkt er een zekere serieux in het gedrag van mijn collega’s te zijn getrokken. De geliefde heavy metal van collega Bart is nu al een paar dagen vervangen door Stravinsky. Het geklets tussen Dirk-Jan en Vincent is afgenomen. Arjen maakt overuren en vertelt nauwelijks nog schunnige grappen tijdens de vergaderingen.

Hoelang de statigheid van ons kasteel nog zal doorwerken in onze activiteiten, wordt afwachten. Maar het is alvast een aardige illustratie van hoe context gedrag stuurt. Universiteiten die dingen naar de gunst van getalenteerden, weten al lang dat hoge kwaliteit van onderwijs en arbeid niet volstaan. De stad om die universiteit heen moet ook een beetje de moeite waard zijn. ‘Investeren in city quality in kennisintensieve regio’s’, heet dat dan.

Toen mijn toenmalige vriendin afgestudeerd was, had ze de keuze uit zes universiteiten om te promoveren. Een daarvan gaf haar bijna totale vrijheid. Alleen, het was een voormalige landbouwuniversiteit. Dat betekende dat de stad ging slapen om een uurtje of zeven, dat de boekhandel vooral sigaretten verkocht en dat het theater diende voor vergaderingen van de plaatselijke variant van de boerinnenbond. Allemaal niets mis mee. Maar als Londen, Amsterdam en Brussel ook naar je gunst dingen, gaan ook minder academische motieven meespelen. Per slot van rekening neemt een promotietraject minstens vier jaar van je leven in beslag.

Wat geldt voor universiteiten, gaat ook op landen. Griekenland en Italië mogen staatkundig een zooitje zijn, de inwoners blijven trots en de toeristen blijven maar komen. België daarentegen is vele malen jonger dan de wenteltrap die ik elke werkdag beklim. En niets tegen het Meetjesland of de Vlaamse kust maar daar komen de buitenlandse investeerders niet op af. Is het dan geen noodzaak om eens flink te gaan nadenken over country quality?

(tb) 

21/01/2011

  • 21 januari 2011