Duffe lente

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Onlangs verscheen zijn tweede roman Donderhart.

Op een dag waren de schilders er. Voortgedreven door slechte muziek en slokken thermoskoffie met poedermelk gooiden ze een verrijdbare stelling tegen de tere gevel van het zestiende-eeuwse pand waar ik werk. Nooit begrepen waarom bouwvakkers en straatleggers altijd een uur eerder beginnen en stoppen met werken dan de rest van de natie. Zijn ochtendmensen goed met hun handen? Verhitten cementmolens te snel na tienen? Zijn ze bang in het donker?

Ik vermoed eerder dat wraakzucht hun drijfveer is. Uit de tijd dat zij nog proletariaat waren en mensen die werkten in verwarmde lokalen per definitie, onderdrukkers. Dat een beetje vakman tegenwoordig aanzienlijk meer verdient dan een pennenlikker, laten ze buiten beschouwing. Dergelijke historisch gegroeide haat heeft eeuwen nodig om te verdorren.

Die ochtend keken de schilders dan ook met geamuseerde verbazing toe hoe wij het kantoor probeerden binnen te komen. Tussen gevel en stelling hadden ze namelijk de vensters en deuren met een taai plastic zeil afgeschermd. Even het zeil weghalen zou lang duren, zeiden ze, of er geen andere ingang was. Voor ik nee kon zeggen, herinnerde een meer menslievende collega ons aan de brandtrap. Aan de achterkant van het gebouw vertrapte ik mijn enige paar Italiaanse schoenen in het natte gras terwijl een medewerker van acquisitie het alarm liet afgaan door de branddeur te openen.

Eenmaal binnen en aan het werk werd ik bewust van de zinloosheid van het bestaan en mijn werk in het bijzonder. Nu ik heb daar wel vaker last van. Maar als aan de andere kant van het glas een man van mijn leeftijd zich in het zweet staat te werken, wordt dat inzicht des te pregnanter.

Wat zag hij? Iemand in de kracht van zijn leven die eerst staat aan te schuiven bij de koffieautomaat, vervolgens wat internet en weer koffie gaat halen. Tussendoor laadt hij zijn mp3-speler op, vult het printerpapier aan en belt soms iemand die niet opneemt. Na de derde koffie maakt hij verontschuldigende gebaren bij de huismeester die woedend komt vragen wie de branddeur heeft geforceerd.

Tegen vieren gaat de schilder naar huis en kan duidelijk zien wat hij verricht heeft. Met tevreden gemoed mag hij naar huis om de zweet- en verflucht uit zijn lichaam te wassen. De persoon aan de andere kant van het glas heeft zoveel geïnternet dat hij moet overwerken. En met al die koffie op kan hij niets anders dan zenuwachtig zijn. Thuisgekomen moet hij gaan sporten omdat hij nu eenmaal een zittend beroep heeft en dus wel op die hometrainer moet. Anders stromen zijn aders vol vet.

Enigszins humeurig vanwege dit inzicht scheurde ik de volgende dagen consequent het zeil weg dat voor de ingang hing. De schilders mopperden. Maar omdat ik de lamellen dichtgooide en mijn mp3-oortjes inpropte, merkte ik daar weinig van. Diva van de ambtenarij, dat ben ik.

Maar nu de lente voorzichtig aanklopt, merkte ik deze week dat de schilders vakkundig de ramen hadden dichtgeschilderd. Sleuren, slaan, hefboom, niets baatte. De huismeester haalde zijn schouders op. Zo’n hoge ladder had hij niet. Het wordt een duffe lente.

26/03/2010

  • 26 maart 2010