Death by Powerpoint

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Vorig jaar verscheen zijn tweede roman Donderhart.

En toen moest ik opeens voor een klasje van mensen die meer verdienen dan ik uitleggen wat de Belgische bedrijfscultuur was. ‘Daar weet ik niet zo veel van af’, zei ik tegen de vriendelijke mevrouw die het me vroeg.

- 'Maar u bent toch Belg?'
- 'Jazeker, maar ik heb geen idee of een firma met vestigingen in Gent, Brussel en Charleroi verschillen ervaart wat betreft bedrijfscultuur of arbeidsethos. Een paar mensen menen van wel, vandaar dat we nog steeds geen regering hebben. Bovendien heb ik nooit ...'
- 'Maar u zegt nu al interessante dingen! Volgens mij bent u er geknipt voor.'

Toen bleek dat ik een voor een uurtje kletsen evenveel verdiende als met het schrijven van vier Jobat-columns, deelde ik al snel haar mening. Maar inderdaad, uitgezonderd aangeschoten raken als verkoper in een druppelkot, me stierlijk vervelen in een museum en peesontsteking oplopen tijdens de hoppepluk heb ik geen ervaring met wat het betekent om op een Belgische werkvloer te lopen.

Zoals een fotograaf me ooit zei over werk verrichten alleen maar omwille van het geld: ‘Ik ben hoer, ik doe mijn broek open maar ik buig niet voorover.’ En het was niet omdat ik ongeschikt was voor deze interculturele workshop, dat ik niet mijn best zou doen. En als Nederbelg poep ik zeven kleuren pindakaas met frietvet als ik de clichés weer gerecycleerd hoor worden. Het broodje kaas met een glas karnemelk als lunch, het verschil tussen plantrekkers en planmakers, ‘hartstikke gezellig’ versus ‘amaai’, ‘poepen betekent bij ons iets heel anders’ en blablabla. Dat kan beter.

Dus zocht ik cijfermateriaal over lonen, man-vrouwverdeling, vergaderuren, bonussen, werktijden en arbeidsconflicten. Voor de tweede keer in mijn leven ging ik achter het stuur zitten van de pletwals der creativiteit, Powerpoint geheten. In de tijd waarin ik acht Jobat-columns had kunnen schrijven, ontdekte ik hoe je staaf- en taartdiagrammen kon maken.

De workshopdag had de joligheid van een klasje op schoolreis. Wie niet koos voor ‘Sociale media: Ik twitter dus ik verkoop’, ‘Dans de kernwaarde van je bedrijf’ of ‘Je belangrijkste product is de eerste indruk’, kwam terecht bij mij. Het eerste kwartier van mijn goedbetaalde uur ging op aan zweten en tot het besef komen dat mijn Mac niet aan te sluiten was op de overheadprojector.

‘Ah, die typische Belgisch efficiëntie’, zei iemand. Het grapje rechtvaardigde niet het aantal lachers. Ik begon mijn tekst af te handelen door de economieën met elkaar te vergelijken. Voor ik kon overgaan naar de verschillende denkbeelden over parttime-werken,vroeg ik of er misschien al vragen waren. Vier handen gingen omhoog. Zo onduidelijk was ik toch niet geweest?

Ik begon met de man die niet gelachen had bij het efficiëntiegrapje. ‘Razend interessant hoor, Thomas. Nee, werkelijk, maar ik vroeg me af klopt dat het als een belediging wordt ervaren als je geen wijn neemt tijdens de zakenlunch?’ Ik gooide mijn tekst weg. Het antwoord op de vraag of Bart de Wever nu fout was of niet, maakte de rest van het uur vol.

(tb)    

12/08/2011

  • 12 augustus 2011