Column

Apprentice

San F. Yezerskiy
San F. Yezerskiy combineert een voltijdse job in de Vlaamse film met een prille carrière als zelfstandig schrijver.

Sinds enkele weken loopt er op de BBC een nieuwe reeks van Young Apprentice. Voor wie minder dwangmatig dan ik élke realityshow volgt die er wordt uitgezonden: Young Apprentice is The Apprentice, maar dan met kinderen. The Apprentice is dan weer een soort talentenjacht voor aspirant-bedrijfsleiders. Ieder jaar doorworstelen zestien kandidaten, steevast de grootste windbuilen die het Britse zakenleven heeft voortgebracht, een reeks vervelende opdrachten in de hoop dat zij aan het eind daarvan de nieuwe rechterhand mogen worden van topmanager sir Alan Sugar.

Niet alleen geeft dit programma mij de kans om binnen te gluren in een wereld die ik zelf niet ken, het is vooral puik entertainment - niet in het minst dankzij de zelfverzonnen platitudes die de kandidaten per strekkende meter verkopen. Uitspraken als ‘don’t tell me the sky’s the limit when there are footprints on the moon’ zijn de verf waarmee de hedendaagse yup zichzelf een façade van diepzinnigheid schildert.

De zestienjarige deelnemers aan Young Apprentice lijken nu al perfecte kopieën van hun volwassen tegenhangers. Zij kleden zich in dezelfde mantelpakjes en kostuum en das en weten zich met evenveel branie en even weinig inhoud uit te drukken. ‘Mensen die hun dromen niet waarmaken, zijn gewoon luieriken’, laat er eentje weten. ‘Ik ben hier niet om vrienden te maken’, waarschuwt een andere. In de grote finale maandagavond zal één van hen 25.000 pond winnen.

Hun uiterlijk, hun taalgebruik, hun gedrag, álles aan deze tieners verraadt hoezeer zij beïnvloed zijn door de marketeers en financiële bollebozen uit de Londense City. Voor de grap heb ik eens geprobeerd om mij hetzelfde programma voor te stellen in een Vlaamse context: hoe onze meest flamboyante bedrijfsleider een handvol schuchtere pubers opdrachten zou opleggen om te ontdekken of er toch niet achter één van hen een béétje ambitie schuilt. Het lukte mij niet.

Misschien heb ik als tiener niet goed opgelet, maar ik kan mij geen enkele ondernemer herinneren naar wie ik opkeek. De enige Vlaamse ceo’s over wie er af en toe in de media werd gepraat, waren een apotheker wiens genialiteit nooit meer te evenaren valt, een kruidenier die fortuin heeft gemaakt door zijn winkels zo ongezellig mogelijk in te richten en een sterk vereenzaamde man die een imperium heeft gebouwd op de gesprekken die hij voerde met zijn pluchen hond. Stuk voor stuk achtenswaardige verhalen, maar o zo saai. Vlaanderen heeft geen traditie van geld maken uit lucht, van grote woorden of bluf.

Misschien is het dat gebrek aan opvallende, inspirerende entrepreneurs dat ervoor heeft gezorgd dat mijn leeftijdsgenoten en ik zo saai zijn geworden. Dat wij allemaal hebben gekozen voor een job als bediende met maaltijdcheques en pensioensparen, met fulmineren op de vakbond op vrijdag en Facebook volstouwen met foto’s van de kinderen op zaterdag. Ik neem niemand iets kwalijk, hoor. Het levert alleen minder opwindende televisie op.

(sfy)

09/12/2011

  • 09 december 2011