Afwezigheid

Ruth Lasters
Ruth Lasters is leerkracht Frans in Borgerhout. In 2007 won ze met haar roman Poolijs de Debuutprijs.

Mevrouw Daveel neemt haar verlofdagen elk jaar ijlings op. Reeds vanaf april zucht zij met regelmaat, als zat er in haar hoofd een display waarvan zij afleest: vakantiesaldo ontoereikend.

Edwina daarentegen spaart haar vrije dagen op als zijn het hoogst bijzondere pralines waar zij niet in durft te bijten. Zij houdt ervan om tijdens het werken haar vakantie in gedachten te plannen, zo gedetailleerd dat zij niet één enkele verlofdag volledig krijgt gefantaseerd.

En net nu haar flatgebouw asbestvrij wordt gemaakt, is het moment aangebroken waarop zij haar vrije dagen wel moet opnemen.

Mevrouw Daveel kucht als Edwina aan de stoffige werkzaamheden in haar flat denkt, alsof zij haar gedachten kan lezen. Dan volgt een hoestbui waarmee Irène Daveel haar spoedige afwezigheid aankondigt. Een geoefend luisteraar hoort nu ook aan het geforceerde schorre timbre waarmee Irène de telefoon beantwoordt, dat zij plant om zo’n week thuis te blijven. Langere afwezigheid kondigt zij aan door Dafalgan te drinken en de aluminium verpakking daarna uren in haar hand te houden, als was het een glimmende krab, opgeraapt op een strand waarvan zij dagdroomt.

Irène staakt nu haar gekuch en knipoogt schalks naar Edwina. Een knipoog die in films wordt uitgewisseld tussen twee handlangers is het, en die Edwina herinnert aan de vreemde overeenkomst die zij gisteren gesloten hebben aan de koffieautomaat.

Bij gebrek aan onderdak door de asbestverwijdering, zal zij de eerste week van haar vakantie doorbrengen in de prachtige villa van de Daveels die zelf in een Normandisch hotel zullen vertoeven.

De enige wederdienst die van Edwina wordt verwacht: letten op de bel en een van Irènes chronische kwalen voorwenden als er al - de kans is klein - een controlearts zou komen. Geen enkele arts zou immers een persoonsverwisseling vermoeden als zij zich maar voldoende inleeft in haar rol.

En die avond, terwijl het echtpaar Daveel naar Normandië rijdt, zit Edwina dus in hun Kempische villa op hun witleren bankstel. Zij voelt een diepe rust bij de gedachte dat dan toch een derde van haar vakantie tot in de perfectie is gepland: door het grote huis lopen en regelmatig in haar hoofd de symptomen opsommen van spastisch colon, dé hoofdrolspeler op Irènes kwalenlijst die de lengte heeft van een filmgeneriek.

De eerste keer dat er wordt aangebeld, zijn het belletje-trek-bengels, de tweede maal blijkt het een buurvrouw. Telkens als Edwina in de deuropening verschijnt, is de pijnlijke uitdrukking op haar gezicht geloofwaardiger en drukt ze haar hand minder doelloos op haar buik. Vanaf de zesde beller voelt ze een echte kramp. En tegen de tijd dat de Daveels terug thuis zijn en zij voor de tweede etappe van haar vakantie naar haar moeder is verhuisd, kronkelt ze van darmspasmes en misselijkheid.

Ze staart naar de medicatie op het nachttafeltje. Als zij er met half dichtgeknepen ogen naar kijkt, lijken die medicijnverpakkingen buildings, wolkenkrabbers in een kleine, perfect geordende stad.

29/10/2009

  • 29 oktober 2009