Eenheidsstatuut kost bouwsector 8 procent meer loon

Bouw

Met 185.000 arbeiders en 27.000 bedienden schudt een eenmaking van het arbeiders- en bediendestatuut de bouwsector grondig door elkaar. Zo’n harmonisatie heeft voor- en nadelen. Het bouwberoep wint aan aantrekkelijkheid, maar die winst is allesbehalve gratis.

“Gezien de verhoudingen in de bouwsector kan het toenaderingsproces heel wat kosten als het louter de bedoeling is om het statuut van arbeiders naar dat van bedienden op te trekken”, vreest Robert de Mûelenaere, gedelegeerd bestuurder van de Confederatie Bouw.

“Op basis van een reeks scenario’s lieten we een schatting maken van de kost van een harmonisering, samen met een sectorale regeling. De globale meerkost voor de sector zou tussen de 6 en 8 procent van de loonmassa liggen. Dat betekent niet dat we niet willen onderhandelen. De eenmaking opent mogelijkheden om het statuut van arbeider in de bouw aantrekkelijker te maken voor de arbeidsmarkt, maar onze sociale partners moeten weten dat voor ons het vraagstuk van de kostprijs centraal staat in de hele discussie.”

Goed geregeld

Jan Vercamst, voorzitter van het ACLVB, wijst er op dat er binnen de onderhandelingen zeker geen eenzijdig doel wordt nagestreefd. “Voor het IPA werkten we ook aan een evenwicht tussen de financiële en de sociale gevolgen van de aangekaarte thema’s. Het gaat daarbij niet enkel om budgettaire consequenties voor de fiscale en sociale zekerheidsinstellingen maar ook om het zoeken naar compensaties voor sommige kosten die hoger kunnen uitvallen.”

In de bouwsector is het sociaal statuut van de arbeiders al bijzonder goed geregeld. Ze genieten er heel wat sociale voordelen die bedienden niet hebben en kunnen beroep doen op het Fonds voor bestaanszekerheid. Dat fonds biedt een toeslag voor langdurige ziekte, economische werkloosheid enzovoort. Sinds enkele jaren bestaat er ook een sectoraal aanvullend pensioen en hospitalisatieverzekering.

(bvdb) 

Meer info over Bouw

12/02/2013

  • 12 februari 2013
  • Bouw