De jobs van zijn leven ...

Ludo Mariman (The Kids): ‘De bomen zouden tot in de hemel groeien. Niet dus’

Ludo Mariman The Kids
“Op weg naar mijn eerste werkdag aan de dokken, zei mijn grootvader: ‘Onthoud deze weg maar goed, hier ga je elke dag voorbijkomen tot je 65ste.’ Daar kreeg ik een heilige schrik van. Ik was amper 16.” (Ludo Mariman, The Kids)

Ludo Mariman schonk de Belgische muziek klassiekers als ‘There will be no next time’, ‘Fascist Cops’ en ‘Do you wanna know’. In een carrière van zowat veertig jaar slalomde hij tussen de Antwerpse dokken en internationale concertpodia, maar evengoed tussen vedettenstatus en leven van een uitkering. Een eeuwige Kid over de jobs in zijn leven.

We treffen Ludo Mariman in de foyer van De Roma in Borgerhout. Een slordige 35 jaar geleden speelde The Kids hier ook al eens. Tussen de twee optredens ligt een kronkelparcours vol ups en downs, maar anno 2012 staat de band er nog steeds. Mariman en de zijnen hebben er een drukke festivalzomer opzitten, met stadsfestivals als Marktrock Leuven en enkele buitenlandse uitstapjes. ‘Sinds onze reünie in 1996 zijn we er eigenlijk nooit meer mee opgehouden’, glundert Mariman. ‘Het is het leukste werk dat er is, het plezantste zweet om te hebben.’

Maar toch ben je ooit als dokwerker begonnen?

‘Eigenlijk niet. Mijn aller-allereerste job was er een als offsetfotograaf in een drukkerij. Dat heeft maar enkele maanden geduurd. Dankzij mijn vader en grootvader, die als scheepshersteller werkten, kreeg ik werk aan de Antwerpse haven. Via hen kreeg ik een roze kaart, die je als dokwerker een bevoorrechte positie gaf.’

'In de auto, op weg naar mijn eerste werkdag aan de dokken, zei mijn grootvader: “Onthoud deze weg maar goed, want hier ga je elke dag voorbijkomen tot je vijfenzestigste.” Daar kreeg ik een heilige schrik van, dat idee van ‘ligt mijn leven nu al vast?’. In 1971 was dat. Ik was amper zestien! Als tegenreactie ben ik mezelf daarna steeds blijven voorhouden: er is meer in het leven dan een jobke. Gelukkig zijn zowel mijn broer als ikzelf later uitgezwermd: hij als voetballer, ik als muzikant.’

'Van die sector is nu niet veel meer over: mijn vader en grootvader werkten nog effectief tot hun vijfenzestigste. Daarna zijn de grote herstructureringen en ontslagrondes gekomen. Het was ook geen gezond werk: ik heb veel mensen gekend die zelfs hun pensioen niet haalden of kort daarop stierven. Gezondheidsbekommernissen waren er niet in die jaren: je werkte heelder dagen in stookolietanks of met een verfpistool, vaak zonder maskers. Goedbetaald was het wel. Je moest van 8 tot 16 uur werken, maar in de praktijk werd dat eerder half negen tot half vier, met een uur middagpauze.’

'Wie werk wilde, moest zich aanmelden bij het kot, het aanwervingslokaal voor havenarbeiders. Soms kreeg je werk voor een paar weken, soms voor een dag, naargelang de schepen binnenkwamen voor onderhoud. Daar kwam die roze kaart van pas: het contingent arbeiders met een roze kaart mocht zich het eerst aandienen als er werk was. Houders van een groene kaart - meestal mensen die geen familie aan de haven hadden - kwamen pas aan bod als de mensen met een roze kaart allemaal werk hadden. Zij kregen meestal de rotste jobs. Het had wel wat van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime.’

In 1976 richtte je, samen met de piepjonge broertjes De Haes, The Kids op. Viel werken aan de dokken te combineren met optreden?

‘Ik heb muziek en werken aan de dokken gecombineerd tot in 1979. Daarna heb ik het, tijdens de hoogdagen van de band, geprobeerd als zelfstandige muzikant. Dat was rampzalig: zoals het een artiest betaamt, kon de administratieve rompslomp van het zelfstandigenbestaan me niet bekoren. Een artiestenstatuut was er ook nog niet, zodat ik na enkele jaren serieus in de problemen kwam met de belastingen en de sociale zekerheid.’

'Uiteindelijk leefde ik van het OCMW en niemand kon me vertellen welk statuut ik nu eigenlijk had. In 1985 heb ik dan een job gekregen bij de platenmaatschappij die The Kids onder haar vleugels had genomen. Onze laatste studio-LP, Gotcha, heb ik als magazijnier zelf in hoezen gedaan. Dat jobke heeft me er destijds bovenop geholpen.’

'Later heb ik deel uitgemaakt van de raad van bestuur bij ZaMu (Vereniging voor Zangers en Muzikanten, red), om ervoor te zorgen dat muzikanten de keuze hadden voor een werknemersstatuut, zodat ze niet automatisch als zelfstandige aan de slag moesten. Ik wou collega’s behoeden voor wat mij overkomen was.”

'In 1996 was er een vacature voor huisbewaarder in Studio Herman Teirlinck, waar ik destijds al enkele maanden als gastdocent werkte. Mijn toenmalige vriendin was fotografe en net als ik muzikant; net wat men zocht. Ik moest vooral ’s avonds permanentie houden, wanneer studenten nog laat doorwerkten aan projecten. Er bleef veel tijd over voor de muziek. Het was fijn toeven in dat artistieke sfeertje. Dat werk heb ik tot 2010 gedaan, het is mijn langstdurende job geweest. Maar na de sluiting van de Studio moesten we op zoek naar een nieuwe woonst. Nu wonen we net over de taalgrens, bij Ronse. De muziek zorgt voor een welkome aanvulling op mijn uitkering; de administratieve afhandeling laat ik met graagte over aan het interimkantoor.Ik krijg nu zelfs vakantiegeld van The Kids (lacht).

Wat als het niks geworden was met de muziek? Was je dan dokwerker gebleven?

‘Waarschijnlijk wel, al kan ik dat niet zeker zeggen. In de jaren ’80 is de situatie in die sector erg verslechterd. Toen ik er werkte, had je als arbeider een zekere vrijheid. Je genoot bescherming, je stond sterk. De crisis gaf werkgevers een kans om aan die rechten te knabbelen. Nu blijft daar niets meer van over. Ik weet niet of ik die evolutie had kunnen aanvaarden. Gelukkig hoef ik me die vraag niet te stellen. Weet je, mijn allereerste jeugddroom was profvoetballer worden. Achteraf ben ik blij dat dàt me niet gelukt is, want dan was ik nu, op mijn 57ste, mijn houdbaarheidsdatum zeker voorbij.’

The Kids werden gek genoeg pas internationaal bekend nadat je de band in 1986 had opgedoekt.

‘Blijkbaar had een Duits bedrijfje illegale bootlegs van onze platen uitgebracht die in alle uithoeken van de wereld opdoken. Da’s een mes dat langs twee kanten snijdt: ik heb er nooit een cent auteursrechten voor gekregen maar tegelijkertijd heeft het er wel voor gezorgd dat we intussen fans hebben van Amerika tot Japan, waardoor we daar de grote held kunnen gaan uithangen (lacht smakelijk).’

Hebben jullie een grote organisatie achter je als band?

‘Nee, dat is net het leuke. We zijn een echt guerillagroepje geworden. We hebben geen vrachtwagens of toerbussen. Eén roadie komt er mee en voor de rest rijden wel allemaal met onze eigen auto naar het concert. We komen aan, breken het kot af en zijn weer weg. Vroeger was dat wel anders: een grote vrachtwagen met het logo van The Kids erop, een enorme toerbus en dan spelen in... Westmalle! Achteraf kan ik alleen maar lachen om die grootheidswaanzin. Ik heb dat leren relativeren door goed op mijn bakkes te gaan.’

Punkdocumentaires worden steevast gelardeerd met beelden die de economische crisis van de jaren ’70 oproepen. Was punk muziek van de crisis?

‘Uiteraard. Zeker in de beginperiode traden we veel op in Wallonië, waar we het industriële verval live konden aanschouwen. Ook in Duitsland merk je dat: optredens in het voormalige Oost - Duitsland zijn heavier dan in het rijkere Westen. Die grimmige sfeer leeft er nog meer. Maar tegelijkertijd bloeien daar ook mooie, alternatieve levensstijlen en attitudes. Mensen gaan in die omstandigheden niet meer zomaar mee in de scenario’s die bedrijven en overheden voor ons uittekenen. Dat spreekt me wel aan: ik ben steeds bewust buiten de kermismolen van huis, tuin, carrière en kindjes blijven staan. Een job bij de NMBS zou wel wat voor mij zijn: als dwarsligger. Tja, hoe minder spullen je wilt, hoe minder je ervoor moet doen, hé. Als mensen per se drie jobs willen om een huis, een auto te kunnen betalen, ze doen maar. Aan mij niet besteed.’

Maar je zingt wel luidkeels: ‘Money is all I need.’

‘Da’s sarcastisch bedoeld, hé! (brede lach)

En ‘I wanna get a job in the city’.

‘De oliecrisis bezorgde mijn generatiegenoten een stevige schok. In de jaren ’60 had men ons voorgespiegeld dat de bomen tot in de hemel zouden groeien. Niet dus. De crisis brak uit, er werd drastisch bespaard, mensen begonnen massaal hun job te verliezen. Uit die ervaring ontstond de punk. Helemaal het tegenovergestelde van de flowerpowergeneratie. De hippies droegen hun haar lang en naar beneden, wij kort en recht omhoog.’

Dezer dagen wordt het vijfjarig bestaan van de crisis net niet als een jubileum gevierd. Heb je een déjà- vu gevoel?

‘Het is altijd crisis. Ik heb het nooit anders geweten; steeds kregen we te horen dat we moesten besparen. Maar het valt me wel op dat het altijd dezelfde mensen zijn die moeten besparen. Wie al veel heeft, is meestal wel zo slim om hun vermogen tijdig weg te bergen en ontspringt de dans. Waar zitten ze nu, de bankiers? En wie draait er op voor hun miskleunen?’

Nooit gedacht: ‘Hier ga ik nu eens een heel kwaad nummer over schrijven?’

‘Neen. Een protestzanger ben ik nooit geweest. Ik wil ook niet de voortrekker worden van een of andere protestbeweging. Zoals Groucho Marx zegt: “Ik zou geen lid willen zijn van een club die mij als lid aanvaardt.” Ik doe mijn ding. Dat ik de wereld niet kan veranderen, heb ik intussen wel ingezien. En als je dat dan toch van plan bent, begin dan bij jezelf.’

Gaan punkers ooit met pensioen?

‘Nu ben ik werkloos, met weinig uitzicht op werk. Ik woon in Wallonië, heb eigenlijk geen enkele kwalificatie én ik ben vijftigplusser. Ik sta ingeschreven bij de Franstalige VDAB, maar ik maak me geen illusies wat dat betreft. Maar ik treed nog steeds op. Het is voor mij belangrijk dat ik het geestelijk en fysiek blijf aankunnen. Het is niet minnetjes, zoals wij op het podium tekeergaan. Ik wil me 100 procent geven, anders is het niet geloofwaardig. Maar zolang we relevant blijven voor een steeds vernieuwend publiek, blijf ik graag verder doen.’

(ml) – Foto: (kb) 

13/09/2012

  • 13 september 2012