Straat

Ruth Lasters
Ruth Lasters werkt als leerkracht Frans in Borgerhout. In 2007 won ze met haar roman Poolijs de debuutprijs.

Marcel Metz lijdt aan een bizarre angst. Telkens als er een woonst te huur of te koop staat in zijn straat of wijk, overvalt hem de vrees dat een van zijn collega’s daar zal komen wonen.

Nu kan Marcel de meeste van zijn kantoorgenoten goed verdragen, met enkelen van hen is hij zelfs in zekere mate bevriend geraakt en diegenen die hij niet kan uitstaan gaat hij op zo’n kundige, niet-kwetsende manier uit de weg dat zij hem herinneren aan zijn eigen verdraagzaamheid en grootmoedigheid, waardoor ook zij een zekere charme zijn gaan uitstralen.

Maar de gedachte permanent zijn woonomgeving met een collega te moeten delen, om de haverklap door een van hen op de schouder te kunnen worden getikt in de wachtrij bij de bakker of terwijl hij zit te mijmeren op zijn vertrouwde bank in het park: vreselijk benauwd krijgt Metz het daarvan.

Is het weer zover, hangt er weer een bordje ‘Te Huur’ of ‘Te Koop’ in Marcels buurt, dan houdt hij die woning nauwlettend in het oog. Hij cirkelt er omheen en begluurt de mensen die het pand komen bezichtigen. Zijn er meerdere bezoekers tegelijk, dan neemt hij zelfs deel aan de rondleiding en veinst grote interesse voor die woonst om de echt geïnteresseerde tot een snelle beslissing te dwingen. Hoe spoediger die flat of dat huis weer bewoond, hoe gauwer Marcels rust weer hersteld is immers.

Zo gaan er twintig jaar voorbij en zo’n kwart van het vastgoed in Marcels buurt is ondertussen van bewoners veranderd. Telkens heeft Metz glimlachend van opluchting staan kijken hoe volstrekt onbekenden hun huisraad met een ladderlift naar binnen brachten.

Tot hij op een ochtend Laura Gemmens, zijn collega van de dienst naverkoop, uit een verhuiswagen ziet stappen in de straat dwars op de zijne. Samen met haar man zeult zij een witte sofa naar het flatgebouw waar tot voor kort een appartement te koop stond.

Zij moet die flat bezocht hebben die ene dag toen hij aan zee was, beseft Marcel, waarna het angstzweet hem uitbreekt. Hij ziet Laura al naast hem opduiken in de apotheker, net op het moment dat hij naar het huisgemaakte preparaat tegen aambeien vraagt. Hij hoort haar al roddelen in de bedrijfsrefter over het feit dat er ‘nu ook nooit eens iemand op bezoek komt bij hem’. Hij ziet zich al verplicht om voortaan om de twee weken familie op visite te vragen, zijn PMD-zakken niet meer om de zoveel maanden massaal op de stoep te zetten, maar keurig één zak om de veertien dagen; om jaarlijks minstens één lange reis te maken en uit te gaan op oudejaarsavond. Dat alles om naar Laura-Gemmens-normen normaal te ogen.

Marcel heeft een hekel aan visite, aan lange reizen, aan oudejaar vieren en meent dat er maar één ding opzit: een ‘Te Koop’-bordje hangen en zelf andere oorden opzoeken.

Als een immomakelaar vraagt aan welke voorwaarden zijn nieuwe woonst moet voldoen, antwoordt Marcel:
'Er moet schimmel zijn. Stank. Ongedierte. Straatlawaai. Criminaliteit.'
'In dat geval moet ik u een woonst in de krottenwijk aanbevelen.'
'Precies', zegt Marcel. 'Inderdaad.' 

04/03/2010

  • 04 maart 2010