Getuigen

Ruth Lasters
Ruth Lasters is leerkracht Frans in Borgerhout. Van haar verschenen de romans Poolijs en Feestelijk Zweet.

Na zich twintig jaar te hebben uitgesloofd voor Luz Luxior zal André Mechels het eindelijk wat kalmer aan kunnen doen. Zijn ongebreidelde werkkracht staat zozeer in het geheugen gegrift van zijn naaste collega's, dat het niet langer nodig is ze aldoor te bevestigen. Integendeel.

Zonder meer egoïstisch zou het van hem zijn, meent André, om nu nog maximaal te presteren, in plaats van de pas aangeworven personeelsleden de kans te geven om hun strepen te verdienen. Pure onbaatzuchtigheid betekent zijn dromerige afwezigheid in wezen en al te jammerlijk is het, dat de nieuwe generatie ze interpreteert als profitariaat en sloomheid. Men moet haast van slechte wil zijn om het zo verkeerd te begrijpen, zegt André tegen Karl, terwijl hij hem helpt met het leegmaken van zijn bureau, die zeventien jaar tegen de zijne heeft gestaan. Zijn makker heeft immers beslist om andere horizonten op te zoeken en wie is hij, André, om hem daar niet in te steunen en het beste te wensen.

De ene na de andere vertrouwde collega neemt echter de vlucht naar andere bedrijven of landt op het welverdiende, doch vale tarmac der privésector-pensioen. Uiteindelijk blijft André als enige over van de oude garde en staren de anderen hem aan als was hij een luie vlerk, een loonlarf die reeds jaar en dag parasiteert op de ijver van anderen. Een weddeworm, salarisschimmel. En dat terwijl zo goed als al hun belangrijke klanten ooit door hem zijn binnengehaald en hij vroeger meer onbetaalde overuren heeft gedraaid dan al hun kinderen samen tanden tellen.

Walgelijk oneerlijk vindt André het om, na al zijn geploeter, zijn aanzien opnieuw vanaf nul te moeten opbouwen in hun bijzijn. Zijn hele carrière lijkt wel weggevaagd, gereset door het verdwijnen van zijn oude werkmakkers, de getuigen, zwarte dozen van zijn loopbaan. Er zit dus niets anders op dan hen opnieuw naar de firma te halen, hen uit te nodigen op een after work drink in de kantine, waar zij maar al te graag zijn hele werkpalmares zullen voorlezen aan dat cynisch hoopje jongelingen.

Maar zowel Patrick, Liliane, Bruno, Francis, Iris als Ricardo komen niet opdagen, allicht, uiteraard, het kan niet anders, door enorme tegenspoed, heirkracht. Alleen Karl en Irène verschijnen op het afgesproken uur. De eerste zo straalbezopen dat hij zelfs van het podiumpje struikelt, dat André heeft opgetrokken uit kratten, voor de speech die hem - zo had hij toch gehoopt - onmiddellijk het respect van zijn nieuwe collega's zou opleveren. Irène beklimt het podium hysterisch huilend, omwille van het feit dat haar echtgenoot zopas per telefoon de scheiding heeft aangekondigd.

Tijdens het malle vertoon van het jankende, zwalkende duo kijken de nieuwe personeelsleden André almaar vernietigender aan, als was hij de ledigheid, de nietsdoenerij zelve. Steeds benauwder krijgt hij het, alsof hij zich niet in een kantine bevindt, maar in de vooralsnog ongeopende zwarte doos van alle professionele misverstanden,'s werelds ontroostbaar, onopgehelderd werkverdriet.

(rl) 

28/09/2012

  • 28 september 2012