Gesprek

Ruth Lasters
Ruth Lasters is leerkracht Frans in Borgerhout. In 2007 won ze met haar roman Poolijs de Debuutprijs.

Boekhouder Steven is al zo vaak vernederd door zijn baas dat hij een ware haat koestert jegens hem. Na een zoveelste snauw en verwijt ondanks zijn harde werk, betrapt hij zich zelfs op wraakfantasieën.

Tijdens het nakijken van de maandbalans, beeldt hij zich in dat hij Meneer Riets achtervolgt op de snelweg en hem een brug af rijdt, hem een glas zwavelzuur voorzet op de vergadering of hem uit het raam duwt tijdens de jaarlijkse evacuatieoefening. Als zij samen voorbij de maalmachine in de productiehal lopen, stelt hij zich voor dat hij zijn baas erin sleurt waarna hij Riets daadwerkelijk een – zij het amper merkbaar – duwtje tegen zijn schouder geeft, dit tot zijn eigen ontzetting.

Uit angst om ooit echt tot agressie over te gaan, verbiedt Steven zichzelf voortaan zulke wrede dagdromerijen. Vanaf nu verzint hij bij elke nieuwe ergernis een stukje van een scheldtirade die hij natuurlijk nooit in het echt kan voeren, louter dient om zijn woede aan banden te leggen.

‘Altijd de verantwoordelijkheid van u afschuiven als er wat fout is gegaan en bij successen alle pluimen in uw eigen reet steken, tot in de elfde kartel van uw twaalfvingerige darm.’ Al gauw flitst er non-stop een ellenlange monoloog door Stevens hoofd. Na een poos voert hij niet langer een denkbeeldig gesprek met zijn baas, maar is hij dat gesprek. Geen enkele andere gedachte dringt nog tot hem door en steeds vaker mompelt hij zelfs flarden van zijn scheldsalvo achter zijn hand of door de hoorn, zogezegd telefonerend met een klant. Als hij ook al in de supermarkt zinnen voor Riets begint uit te kramen in plaats van aan een dame te vragen waar de eieren staan, beseft Steven dat, als hij van die monoloog verlost wil geraken, er niets anders opzit dan hem écht te voeren in bijzijn van zijn baas, met zijn ontslag tot gevolg dan maar. Beter ontslagen worden dan zijn verstand verliezen, denkt hij.

Riets is echter onvindbaar als Steven hem wil confronteren. Hij blijkt een zeer stresserende tocht aan het maken langs alle filialen die binnenkort worden doorgelicht in opdracht van de Amerikaanse hoofdzetel.

Steven neemt een week vakantie en rijdt van het ene naar het andere kantoor, in de hoop om Riets er te treffen en hem zijn bevrijdende betoog te kunnen doen. Pas als hij op donderdag aan het zigzaggen is op de parking van het Brugse filiaal, blijkt de bruine Saab van Riets plots voor hem te staan, of eerder ‘tegen’ hem, daar hij er, afgeleid door de onophoudelijke scheldpreek in zijn hoofd, frontaal is op ingereden. Riets stapt, vreselijk opgefokt door de bedrijfscontrole die hem wacht, uit zijn geblutste auto, komt op Steven toegelopen en begint tegen zijn portier te schoppen. Het lijkt wel of hij een choreografie uitvoert op de cadans van de verbale woede in Stevens hoofd. Riets de bewegingen, hij de woorden. ‘Pure kunst!’ schreeuwt hij. Kunst die – hem althans – erg veel kan opbrengen, beseft Steven als zijn baas de ruit inslaat en hij hem, zonder enig verweer, op hem tekeer laat gaan.

24/06/2010

  • 24 juni 2010