Apezuur

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau is eindredacteur bij het Leids Universitair weekblad Mare en journalist. Binnenkort verschijnt zijn nieuwe roman Donderhart.

Werken aan een Nederlandse universiteit heeft als groot voordeel dat er voor ieder probleem een oplossing voor handen is. Beeldschermbrilvergoeding? Staat in de cao. Vereist je godsdienst een gebedsruimte? Die is er, aangenaam verwarmd en op tijd en stond schoongemaakt. Fitnessen, gratis kranten, 1 miljoen boeken te lenen? Een fluitje van een cent.

Het grote nadeel van werken aan een Nederlandse universiteit is dat er voor ieder probleem iemand is aangesteld die dat moet oplossen. Zijn er niet genoeg stoelen in de vergaderruimte? Daar gaat Piet over, maar die werkt vandaag niet. Komen uit de printer alleen nog maar nachtlandschappen? Het spijt me, maar de toners moeten Europees aanbesteed worden en de Poolse leverancier was echt de goedkoopste. Het beeldschermbrilvergoedingsformulier zoek gemaakt? Een probleem van jewelste.

Laatst was er op mijn afdeling een vacature. De chef had een duidelijk profiel opgesteld, de werkzoekenden in mijn sector hopen zich op, een kandidaat zou dus makkelijk en vlug te vinden zijn. Maar dat ging zo maar niet. Eerst moest iedereen die binnen de universiteit zijn baan had verloren door bezuinigingen, een kans krijgen. Iedereen die in de laatste drie jaar een ontslagbrief had ontvangen, kreeg het bericht dat de alma mater hen wel weer kon gebruiken. Ze kregen twee maanden de tijd om zich te melden. Na die termijn - we werkten ons ondertussen het apezuur - hadden we twee brieven binnen. Eén van een heel aardige mevrouw die haar hele werkzame leven bij de vakgroep egyptologie had gezeten. Nu, een half jaar voor haar pensioen, was ze klaar voor een nieuwe uitdaging. In de tweede envelop zat een verzoek om een nieuw beeldschermbrilvergoedingsformulier.

Toen we bij een commissie aannemelijk hadden gemaakt dat we toch echt extra muros moesten gaan zoeken, mocht de vacaturetekst eindelijk de deur uit. Omdat daar mensen voor waren aangesteld, kwamen de sollicitatiemails eerst bij iemand anders terecht. Die iemand - we hadden alleen een initiaal en een achternaam - was zo vriendelijk alle driehonderd brieven en cv’s in één onoverzichtelijk documentje te plakken, alvorens die naar ons door te sturen. De chef en ik deelden het bestand in tweeën en begonnen aan het uitsorteren.

Het was in volle crisistijd. Dat merkte je aan de hoeveelheid brieven, de hunkerende toon en de scheepsladingen overgekwalificeerden. Op den duur beperkten we ons tot het checken van de cv’s. Ik legde curricula aan de kant die er aanzienlijk beter uitzagen dan het mijne.

Toen we ons bijna een weg hadden gegraven door de trieste berg van verwachting en wanhoop, viel me iets op. Op een cv stond bij het kopje ‘nu-2003’ een tijdschrift dat al twee jaar opgeheven was. Een slordigheidje, dacht ik. Ik checkte de datum van de mail. Hij was al drie jaar oud.

Meneer of mevrouw initiaal van de personeelsafdeling had de mails van een vorige sollicitatieronde ook doorgestuurd. Toen was ik als beste kandidaat uit de bus gekomen. Aan mijn chef liet ik niets merken. Ik was niet bijster nieuwsgierig naar waarom ik het deze keer niet geworden was.

04/11/2009

  • 04 november 2009