Mediaopleidingen missen match met sector: 'Journalistiek niveau is vaak bedroevend'

Ingrid Lieten & Peter Quaghebeur
"Als je vroeger Miss België werd, kon je beginnen presenteren bij VTM. Die tijd is al even voorbij" (Peter Quaghebeur, directeur-generaal VMMa)

Werken in de media. Voor veel jongeren is het nog steeds een droom. Het aantal jobs in de sector is echter beperkt en de opleidingen die studenten klaarstomen voor het vak zijn drukbezocht maar staan hoog in de lijstjes van diploma’s met weinig werkzekerheid. Daarbovenop vindt Peter Quaghebeur (directeur-generaal VMMa) het niveau van pas afgestudeerde journalisten vaak bedroevend. Volgens mediaminister Ingrid Lieten zit de ‘match’ tussen de opleidingen en de sector niet goed.

Zowel audiovisuele kunst, taal- en letterkunde en journalistiek sieren de top tien van opleidingen waar de werkloosheidsgraad een jaar na afstuderen het hoogst ligt. "Natuurlijk zijn we daar bezorgd over", zegt Ingrid Lieten. "De mediasector is een heel creatieve sector, die voldoende gedreven maar ook goed opgeleide mensen moet kunnen aantrekken. We merken dat de match tussen de verschillende schoolse opleidingen en de sector zelf niet zo goed zit. Veel mensen die dat soort opleidingen volgen, komen niet in de mediasector terecht, en omgekeerd. Samen met Pascal Smet (Vlaams minister van Onderwijs, red.) ben ik momenteel aan het nagaan welke opleidingen er bestaan, wat de kwaliteit daarvan is en hoe we die op basis van de vraag van de sector eventueel wat kunnen bijsturen, zodat die match toch wat groter zou worden."

Is het probleem niet dat er gewoon te veel geïnteresseerde jongeren zijn voor het aantal beschikbare jobs?

Lieten: "De mediaopleidingen schoten de voorbije tien jaar als paddestoelen uit de grond. Heel wat jongeren beginnen met verkeerde verwachtingen aan zo’n opleiding. Zij moeten zich van tevoren goed laten inlichten. De sector heeft daar ook belang bij: zij zijn op zoek naar gemotiveerde jongeren. Die moeten beseffen waar ze aan beginnen en er ook echt voor gaan."

Quaghebeur: "Wij zien heel veel jongeren die interesse hebben om in de media te werken, maar we merken ook dat er nogal wat opleidingen zijn die niet aangepast zijn aan wat wij zoeken. Het mooiste voorbeeld daarvan vind je bij journalisten. We organiseren regelmatig screenings en ik zie dan een leger jonge mensen binnenkomen – veertig of vijftig man – die een examen journalistiek komen afleggen. Ik moet eerlijk zeggen: het is bedroevend wat wij daaruit halen. Die mensen moeten vaak – hoewel ze voor journalist gestudeerd hebben – echt nog van nul beginnen wanneer we hen aanwerven. We moeten hen zelf een opleiding geven. Niet dat ons dat te veel is, het is logisch dat je nog hard moet werken aan mensen die je net van school haalt. Maar ik vind over het algemeen dat ze wel érg ver staan van wat we eigenlijk zoeken. Bij journalisten is dat heel duidelijk: daar hebben we echt nog heel veel werk aan om die klaar te stomen voor het vak."

"Anderzijds hebben we vacatures die maanden openstaan en die niet ingevuld raken. Dit jaar gaan we opnieuw vijftig mensen aanwerven. Bij die jobs zijn er een stuk of vijftien die vorig jaar al openstonden. Het gaat om technici, informatici, mensen uit de financiële sector: mensen die niet noodzakelijk eerst aan ons denken als potentiële werkgever. We zien de media enorm snel evolueren in een zeer technische richting. Waar we vroeger een afdeling techniek hadden waar mensen bezig waren met tapes en camera’s, hebben we vandaag echte informatici nodig. Tapes worden vervangen door servers en daar heb je een heel ander type mensen voor nodig. Je komt dan als mediabedrijf heel hard in concurrentie met Dolmen, Oracle, Microsoft, … Die bedrijven hebben 300 of 400 mensen nodig, terwijl wij er tien of twintig moeten hebben. Die twintig voelen zich natuurlijk eerder aangetrokken door het grotere technologiebedrijf."

Ingrid Lieten en Peter Quaghebeur

"Een goede boekhouder vinden is tegenwoordig ook al moeilijk. (grinnikt) Dat klinkt banaal, maar het is zo. Misschien weten die mensen niet dat wij naar hen op zoek zijn. Ik kan alleen maar vaststellen dat het heel moeilijk is. We moeten vandaag veel actiever op zoek gaan naar mensen. Dat is een serieuze verandering. Natuurlijk zijn er nog steeds veel jongeren die in de media willen werken. De mediasector is doorgaans ook heel tof, maar naar Miss Belgiës zijn we niet bepaald op zoek (lacht). Vroeger was dat misschien evident. Als je Miss België werd, kon je beginnen presenteren bij VTM. Die tijd is al even voorbij. Als dat het beeld is van werken in de media, dan is dat een verkeerd beeld."

"De mediasector is een heel people-gedreven business. Dat is tegenwoordig bij veel sectoren het geval, maar in de media is dat toch zeer uitgesproken. Alles heeft met creativiteit te maken en dat komt puur uit de mensen hun koker. Mensen zijn superbelangrijk. Maar mensen zijn ook – en dat is een ruimer debat – heel duur. Als commercieel bedrijf moet je wellicht een beetje meer op je middelen letten. Er zijn maatregelen denkbaar om de creatieve industrie wat te stimuleren, zoals het verlagen van de belastingen op bepaalde jobs. Op die manier zou je bijvoorbeeld meer journalisten kunnen aanwerven." 

Mevrouw de minister, kunnen er dergelijke maatregelen genomen worden om de creatieve industrie te stimuleren?

Lieten: "We hebben in Vlaanderen de voorbije tien à twintig jaar – en dat is zeker en vast ook dankzij VTM – het ontstaan en de groei meegemaakt van een hele nieuwe creatieve sector, namelijk die van de productiehuizen die programma’s maken voor de verschillende zenders. Wanneer verschillende zenders besparingen doorvoeren – zoals bijvoorbeeld ten gevolge van de economische crisis – dan krijgen die huizen minder werk en zie je meteen ook veel creatief talent verloren gaan. Door de oprichting van het Mediafonds willen we ervoor zorgen dat er overheidsmiddelen voor die sector beschikbaar gemaakt worden."

"Wanneer een zender samen met een productiehuis iets wil maken, kunnen zij daar financiële steun voor krijgen. Zo maak je het mogelijk voor álle zenders om eigen Vlaamse producties te maken. De kijker waardeert dat. Dergelijke producties kenmerken ook de eigenheid van onze zenders ten opzichte van de internationale zenders. We hebben in Vlaanderen een fantastische creatieve sector, en we moeten die koesteren. We zijn nu bescheiden gestart met het Mediafonds in een periode waarin de Vlaamse Regering weinig middelen had, maar het is wel de bedoeling dat dit initiatief verder zal groeien."

Quaghebeur: "Er is de laatste twintig jaar inderdaad een nieuwe sector ontstaan in Vlaanderen waar naar schatting zo’n tienduizend mensen in werken. Het gaat niet alleen om productiehuizen maar ook om facilitaire bedrijven die techniek aanleveren, audio, acteurs ... Als je in Wallonië op zoek gaat naar een dergelijke eigen industrie die ontstaan is in de marge van televisie, zal je die nauwelijks vinden. In die Vlaamse industrietak is ongelofelijk veel geïnvesteerd en VTM is daar een sterke drive achter geweest. Wij zijn als eerste begonnen met het maken van externe producties. Zo zijn de productiehuizen ontstaan. Vandaag is dat een vrij grote industrie – geen auto-industrie natuurlijk, maar toch – die meegaat op de golven van de economie. De productiehuizen moeten even goed de tering naar de nering zetten." 

De laatste jaren zijn besparingen en ontslagen niet van de lucht geweest in de sector. Veel mensen werken er ook met contracten die weinig zekerheid bieden.

Lieten: "Dat bezorgt mij ook. Uit een analyse die we daarvan hebben gemaakt, blijkt wel dat dat erg verschilt van mediahuis tot mediahuis. Er zijn mediahuizen die hard investeren in talentmanagement. Ze nemen de tijd om mensen op te leiden en kansen te geven. Daarnaast heb je andere huizen die veel werken met kortetermijncontracten en freelancers. Ze kijken heel erg op de kosten. De media zijn natuurlijk ook een business. Er moet naar de aandeelhouders rendement geleverd worden. Ik begrijp dat. Maar anderzijds is het ook belangrijk om aan talentmanagement te doen. Als je jonge mensen aanwerft, steek je daar heel wat tijd in. Dan is het toch niet de bedoeling dat ze na een korte tijd je bedrijf verlaten omdat ze gedemotiveerd zijn of elders beter werk vinden. Je wil met die mensen toch een bepaald traject afleggen. De sector is natuurlijk altijd in beweging. Het is een creatieve sector, er is een verloop, er moet flexibiliteit zijn. Maar de mediahuizen die zichzelf ernstig nemen, investeren wel in talentmanagement."

Quaghebeur: "De televisiebusiness is heel afhankelijk van de economie. Ook bij ons werken er wel wat mensen met interimcontracten en enkele jaren geleden hebben we een aantal mensen moeten ontslaan. Dat was de eerste keer in onze geschiedenis en niet bepaald evident. Het ging niet om verschrikkelijk veel mensen – misschien twintig – maar dat zijn wel twintig gezinnen die getroffen worden. Voor ons bedrijf was dat een heel moeilijke situatie. Dit jaar werven we een vijftigtal mensen aan. Dat is een risico, want dat kost een pak geld. Maar we hebben momenteel veel projecten. Dat gaat echt in schokgolven. Als je een televisieproductie maakt, heb je soms heel veel volk nodig. Soms maak je een programma waar je bijna niemand voor nodig hebt. Voor een talkshow waarin twee man een uur zit te klappen, tja ... Daar heb je wat mensen voor nodig voor het licht en de techniek, en dat is het."

"Bij ons dochterbedrijf Studio A werkt ongeveer 140 man. Krijgen zij er een project bij, dan hebben ze tijdelijk veertig of vijftig man extra nodig. Dit is nu eenmaal de creatieve sector. We zijn geen bedrijf waar je aan de koekjesband staat en waar je altijd min of meer weet wat je te wachten staat. Bovendien komt het tempo steeds hoger te liggen en wordt er meer en meer verwacht van de mensen. Dat is gewoon zo. Als mediabedrijf kan je daar niets aan doen. Je kan niet zeggen: we gaan wat vertragen." 

Wat is volgens u het fundamentele verschil tussen een publieke en een commerciële zender?

Quaghebeur: (denkt even na) "Het eerste grote verschil is de aandeelhouder. Bij de VRT is dat de overheid. Die zender krijgt een opdracht van de overheid en ze krijgt daar een budget voor dat ze mag opgebruiken. Wij zijn daarentegen een privé-onderneming en zoals alle commerciële bedrijven hebben we aandeelhouders die investeren in de sector en die daar een return voor willen, zodat ze met dat geld kunnen investeren in andere dingen. De Persgroep heeft op die manier acquisities gedaan in Nederland, Roularta in Frankrijk. De finaliteit verschilt dus zeer sterk. Wij hebben een winstdoelstelling, de VRT niet."

"Maar de VRT krijgt wel een opdracht mee van de overheid. De nieuwe beheersovereenkomst ligt momenteel op tafel. De VRT wil programma’s maken voor zoveel mogelijk mensen. Wij willen in de eerste plaats doelgroepen aanspreken die onze adverteerders willen bereiken met hun commerciële boodschappen. Uiteraard willen we met VTM zoveel mogelijk mensen bereiken, maar we werken toch met een kerndoelgroep van – in jargon – ‘voornaamste verantwoordelijken voor aankoop’ tussen 18 en 54 jaar. In de praktijk zitten daar vooral vrouwen in. Voor de rest heeft Wouter Vandenhautte ons vorige week nog een semi-publieke omroep genoemd, dus ik heb de indruk dat we heel dicht op elkaar zetten (grinnikt). We maken nieuws, we maken fictie. Veel medewerkers maken ook de overstap tussen de twee bedrijven omdat het nu eenmaal vergelijkbare bedrijven zijn. Daar is niets mis mee, je kan alleen maar leren van de overkant. We moeten het wel met veel minder middelen en mensen doen dan de VRT. Daar zijn ze met 2.800 man, wij zijn met 500. Wat betreft werkdruk is er dus wel een groot verschil. En ze hebben twee keer zoveel middelen als wij." 

Is het een goede zaak dat de VRT bestaat?

Quaghebeur: (beslist) "Zeker. Wij zijn absoluut geen vragende partij voor het afschaffen van de VRT. We willen ook niet dat die zender geminimaliseerd zou worden tot 7 procent marktaandeel. Ik denk dat die vraag vandaag in de mediasector bij niemand leeft." 

Stefan De Keyser, coo bij SBS, pleitte er vorige week wel voor om de VRT via de nieuwe beheersovereenkomst terug te brengen tot een marktaandeel van 33 procent (momenteel is dat 42,3 procent, red.).

Quaghebeur: "Dat is wiskunde, zo werkt het niet. De Europese openbare omroepen halen gemiddeld een marktaandeel van 33 procent. 42 procent is dus hoog, maar de VRT heeft verdiend wat ze heeft. Ze hebben vaak goed gewerkt, en misschien hebben de commerciële zenders soms iets minder goed gepresteerd. De VRT heeft 42 procent marktaandeel gehaald met twee zenders. Vind ik dat te hoog? Eigenlijk wel, maar je kan dat niet oplossen door het marktaandeel vast te leggen in de beheersovereenkomst. Je kan toch niet tegen die mensen zeggen dat ze minder marktaandeel moeten halen?"

Lieten: "Dat is juist. We hebben als Vlamingen ongelofelijk veel geluk dat we zo veel zenders hebben die beschikken over een redelijk fantastisch aanbod. We worden verwend door zowel de overheidszenders als de privézenders en er zijn hoge waarderingscijfers voor alle zenders. Peter heeft gelijk als hij zegt dat de VRT de voorbije jaren comfortabeler heeft kunnen leven. Dotaties geven altijd iets meer comfort. Daarom moet de VRT nu ook orde op zaken stellen. De zender moet besparen en zorgen dat hij budgettair weer gezond en in evenwicht zijn. Hoe de VRT dat doet, moet ze in eerste instantie zelf bepalen. Bij de VRT zijn er wel meer regeltjes. Het is niet altijd gemakkelijk voor het management om te besparen. Het VTM-management kan wellicht sneller beslissingen nemen en hardere keuzes maken."

"Doordat de VRT een dotatie krijgt en niet afhankelijk is van adverteerders, kunnen we als overheid uiteraard wel vragen dat ze aandacht schenken aan een aantal dingen die voor adverteerders niet interessant zijn. Zo vragen we veel aandacht voor nieuwsprogramma’s, cultuurprogramma’s en programma’s voor kleinere doelgroepen. Ik heb van in het begin gezegd dat de VRT niet de hoogste kijkcijfers moet halen. De openbare omroep moet niet in een wedren zitten met de privézenders. De VRT moet vooral zorgen dat ze haar missie realiseert, dat ze een groot bereik haalt, en dat ze zoveel mogelijk mensen bereikt met de thema’s en de programma’s waar andere zenders geen of onvoldoende aandacht voor hebben." 

Vandaar ook de quota die de VRT zich oplegt.

Lieten: "Ik spreek altijd over streefcijfers. Het gaat om iets wat een bedrijf zichzelf oplegt, niet iets wat door de overheid wordt opgelegd. Ik vind het als minister wel heel belangrijk dat we werken aan diversiteit en dat er ook in de media aandacht voor is. Vandaag herkent niet elke Vlaming zich in de media. Achter de schermen moet je een divers personeelsbeleid voeren zodat je mensen hebt met verschillende invalshoeken die complementair zijn. En vóór de schermen moeten we proberen een echt beeld te geven van Vlaanderen en niet de clichés benadrukken. Diversiteit komt er niet vanzelf in je personeelsbestand. Als dat zo was, was er nu al veel meer diversiteit."

"We merken dat er op dit moment heel weinig mensen van allochtone afkomst zijn die mediaopleidingen volgen. Dat maakt het moeilijk om ze aan te werven. We moeten uitzoeken hoe we die drempels kunnen overwinnen en hoe we meer jongeren kunnen stimuleren om die opleidingen te volgen. Het is van belang voor onze maatschappij en onze democratie dat we een gemeenschap hebben waarin iedereen zich een beetje erkend voelt en waarin je bepaalde groepen niet gaat doodzwijgen."

Ingrid Lieten en Peter Quaghebeur

Quaghebeur: "Het is juist dat er weinig allochtonen zijn die zich kandidaat stellen voor de vacatures die bij ons openstaan. We hebben geen diversiteitsbeleid met streefcijfers, maar ik kan u met de hand op het hart zeggen dat wij noch naar geslacht noch naar afkomst discrimineren. We zijn een jong bedrijf, de gemiddelde leeftijd ligt onder de 35 jaar, maar dat is misschien omdat we nog maar twintig jaar bestaan. Er werken bij ons ongeveer evenveel mannen als vrouwen, maar we merken wel dat er in hogere functies minder vrouwen zijn dan mannen."

"Vorige zomer zochten we een nieuwe directeur marketing. Ik heb toen aan de hr-verantwoordelijken gezegd dat ik het liefst een vrouw wilde hebben. Waarom? We zijn een televisiebedrijf dat voornamelijk televisie maakt voor vrouwen. Televisie is een wat vrouwelijk medium. En toch zijn heel veel televisiemakers mannen. Uiteindelijk bleven er nog één vrouw en drie mannen over. Moet ik dan die vrouw nemen als ik vind dat er een man beter is? Het is dus een man geworden. Ik zou graag meer vrouwen aan de top hebben in het bedrijf, maar ik ga daarom geen mannen buitengooien. Wat betreft diversiteit op het scherm scoren wij trouwens zeer goed. Als je kijkt naar Idool of So You Think You Can Dance of zelfs Benidorm Bastards, daar zit zeer veel diversiteit in." 

De SBS-zenders staan te koop. Wat ziet u daar het liefst mee gebeuren?

Quaghebeur: "Dat is een goede vraag. De VRT kan er een overnemen, dan hebben ze hun derde zender (lacht). Nee, ik zou het liefst hebben dat die zenders overgenomen worden door iemand die de sector kent. Iemand die weet wat het inhoudt om zenders te maken. Dat is een vak op zich. Kijk naar Nederland: enkele jaren geleden heeft John De Mol daar de zender Tien opgestart. Dat heeft tot gevolg gehad dat heel de sector een paar jaar lang geen cent verdiend heeft. Niet alleen hij niet – hij heeft veel geld verloren – maar ook de andere zenders niet. Waarom? Omdat iemand die goed programma’s kan maken niet noodzakelijk goede televisiezenders maakt." 

U verwijst naar Woestijnvis?

Quaghebeur: "Dat zou Woestijnvis kunnen zijn, maar evengoed iemand anders. Als Woestijnvis de zenders koopt, kunnen ze altijd mensen aan het hoofd plaatsen die iets kennen van zenders maken. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Voor ons bedrijf is het belangrijk dat daar iemand komt die weet wat een zender is, hoe de mechanieken werken en hoe het landschap eruitziet. Anders kan de sector in woelig vaarwater terechtkomen." 

(mo) – Foto: (kb)  

11/03/2011

  • 11 maart 2011