Publiek-private samenwerking kost aannemer extra werk én geld

“Soms bouwt én betaalt de aannemer. De terugbetaling gebeurt nadien” (Dirk Van Rompaey,
directeur civiele dienst Jan De Nul Group)
“Soms bouwt én betaalt de aannemer. De terugbetaling gebeurt nadien” (Dirk Van Rompaey, directeur civiele dienst Jan De Nul Group)

Overheden gunnen hun bouwopdrachten steeds vaker via publiek-private samenwerking (PPS). Voor aannemers is dit niet zonder gevolgen. “De voorbereiding is tot 20 maal duurder dan bij een klassieke aanbesteding”, zegt Dirk Van Rompaey van Jan De Nul.

Jan De Nul Group werkt momenteel aan de aanleg van de verbindingsweg tussen Geel en Kasterlee. Het is een van de PPS-projecten die het bedrijf, vooral bekend als baggeraar, in portefeuille heeft.

PPS-project

Het grote verschil met ‘klassieke’ opdrachten is de verantwoordelijkheid die een aannemer draagt bij PPS-projecten. Jan De Nul Group bouwt de weg niet alleen, als aannemer is het bedrijf ook verplicht dertig jaar lang de weginfrastructuur te onderhouden. “PPS kent verschillende scenario’s. Meestal is het minstens design and build. Dat betekent dat je als aannemer ook verantwoordelijk bent voor het ontwerp van een project. Bij klassieke opdrachten levert de klant dat meestal”, legt Dirk Van Rompaey, directeur civiele dienst bij Jan De Nul Group, uit.

Er zijn zelf PPS-projecten die de financiering van het project bij de aannemer leggen. “De aannemer bouwt én betaalt dan. De terugbetaling gebeurt nadien, tijdens de exploitatie en het onderhoud van het project”, zegt Van Rompaey.

Meer mensen

De kost berekenen van een klassieke opdracht is relatief eenvoudig: dat is de som van de loonkosten en wat er aan materiaal, onderaannemers en leveranciers moet betaald worden. “Bij PPS-projecten waar de aannemer ook voor het onderhoud instaat, is de bouwkost maar een deel van de totale kost. Bouw je een brug, dan best een die je tijdens de termijn dat je ze moet onderhouden voor zo weinig mogelijk kosten plaatst”, aldus Van Rompaey.

De extra verantwoordelijkheid die PPS-projecten bij de aannemer leggen, hebben tot gevolg dat er meer mankracht nodig is bij de opstart. In de offerte-fase van een klassieke aanbesteding ter waarde van 50 miljoen euro zijn bij Jan De Nul Group gemiddeld vier ingenieurs betrokken. Aan dezelfde opdracht als PPS-project werken minstens drie keer zoveel mensen mee. De voorbereiding duurt ook veel langer.

“Ingenieurs om de prijzen te bestuderen, om de volledige studie uit te voeren, om de kost van het onderhoud te berekenen”, somt Van Rompaey op. “Maar ook juristen om contracten op te stellen en financiële experts om een financieel plan op te stellen en met de banken te onderhandelen.”

Minder concurrentie

Voor een aannemer betekenen PPS-projecten niet alleen extra risico’s maar ook extra kosten. “De opstartfase is vaak tot twintig keer duurder dan die van een klassiek project”, spreekt Van Rompaey uit ervaring.

Waarom zegt Jan De Nul Group dan toch ‘ja’ tegen zulke opdrachten? “Bij PPS-projecten telt niet enkel de prijs, maar ook de kwaliteit van de aangeboden oplossing. Dergelijke opdrachten verhogen het niveau van de organisatie. Bij PPS-opdrachten is er ook minder concurrentie. Omdat de kost hoger ligt, beperken opdrachtgevers de competitie vaak tot een drietal bedrijven. Die kans is aanvaardbaar. Bij één op tien zouden we er niet aan beginnen.”

(wv) 

Meer info over Bouw

13/02/2013

  • 13 februari 2013
  • Bouw