In het spoor van de gezinsbegeleidster: 'Wij gaan niet op de koffie, hé'

reporter gezinsbegeleiding
‘Dit is hard werken. We kloppen veel avonduren en zijn een maand lang 24 uur per dag beschikbaar. Maar we hebben ook veel vrijheid in onze job’

“Deze job hou je gemiddeld drie jaar vol. Ik ben dus ongeveer halfweg.” De 29-jarige Nathalie Westerlinck is gezinsbegeleidster bij De Matant, een Antwerpse organisatie die gezinnen in crisis kortstondig begeleidt. “Mijn eerste doel is voorkomen dat de kinderen uit het huis worden gezet.”

Een rijhuis in Berchem. Hier probeert Marina, een alleenstaande moeder met vijf kinderen, de draad van haar leven weer op te pikken na een slopende cocaïne- en drankverslaving en het daarbij horende onregelmatige bestaan. Dat deed, en doet ze nog altijd, met de hulp van Nathalie. Het intensiefste gedeelte van de begeleiding is al achter de rug als ik Marina ontmoet. Een maand lang stond Nathalie bijna dagelijks voor haar deur, in haar huis. Nu is dat nog één keer per week. “Maar dat is goed”, zegt Marina. “Ik heb dat nodig, die gesprekken. Dat zijn momenten voor mezelf. Moest ik het echt helemaal alleen moeten doen, vrees ik dat ik zou hervallen.”

Dat Marina niet alleen tegen een verslaving vecht, maar ook ADHD-patiënte is, maakt het herstel er niet makkelijker op. “Ze heeft echt moeten leren om grenzen te trekken”, vertelt Nathalie. “Vroeger was dat hier de zoete inval. Iedereen die hulp nodig had, nam ze in huis. Sympathiek, maar amper leefbaar.”

Zoals zoveel van haar ‘klanten’ was ook Marina niet onmiddellijk overtuigd van het nut van Nathalies hulp. “Ik vond ook niet dat ik hulp nodig had. Volgens mij liep alles goed. Dat dacht ik tenminste.”

“Ze hoefde me ook niet binnen te laten”, zegt Nathalie. “Uiteindelijk bevindt Marina zich nog altijd in het circuit van de vrijwillige hulp.”

‘Het was het jeugdcomité of de politie’

Gezinsbegeleiding splitst zich op in een vrijwillig en een verplicht circuit. “In het tweede scenario komt de jeugdrechtbank eraan te pas, wat hier het geval niet is,” legt Nathalie uit. “Marina en haar kinderen zijn doorverwezen door het Comité Bijzondere Jeugdzorg. In dit geval spreken we over een POS-situatie: kinderen in een problematische opvoedingssituatie. Dat gaat heel breed: van ouders die hun puberende tieners niet meer de baas kunnen, over kinderen met verslaafde ouders tot huiselijk geweld. Naast POS’sers zijn er ook MOF’fers: jongeren die een als misdaad omschreven feit hebben gepleegd. Maar voor beide geldt dat als de jeugdrechtbank dat oplegt, ze zich verplicht moeten laten begeleiden.”

Een bemiddelingscommissie kan, indien ze dat nodig acht, een gezin uit de vrijwillige hulp doorsturen naar het verplichte circuit. “Die bemiddelaars hebben dus wel wat te zeggen”, legt Nathalie uit. “Bovendien is vrijwillige hulp een relatief begrip. Marina kon dit weigeren, maar dan riskeerde ze wel dat haar kinderen geplaatst zouden worden.”

“En daar had ik helemaal geen zin in”, laat die duidelijk verstaan. “Maar ik ben, onder lichte druk van een hulpgroep voor ouders met een verslaving, wel zelf naar het jeugdcomité gestapt. Al zag ik ook dat eerst helemaal niet zitten. Maar het was dat of het parket over de vloer krijgen.”

Marina stemde in met de begeleiding en in plaats van de politie kwam Nathalie de afgelopen maanden geregeld op bezoek. Om te luisteren, te spreken en te helpen. “Het eerste wat we gedaan hebben, is structuur creëren. Dat begint echt met heel kleine dingen: de kinderen in bad doen, zien dat ze hun huiswerk maken, een uurtje voorzien om te spelen, een beetje opkuisen enzovoort. Al die dingen goot ik samen met Marina in een schema waar ze zich aan moest proberen te houden.”

Per kind een lijst van aandachtspunten

Samen met Nathalie maakte Marina per kind een lijst op van aandachtspunten. “Voor een van de jongens was dat bijvoorbeeld samen met zijn zus computer spelen. Als hij dat niet kon, kreeg hij een streepje op zijn blad. Het was de bedoeling om zo weinig mogelijk streepjes op een dag te krijgen. Als dat lukte, kon hij een sticker verdienen.”

Ook voor Marina hing er een papier aan de muur. “Daarop stond wat ik moest doen om te kalmeren. Ik kan namelijk nogal opvliegend zijn, al duurt dat nooit lang (lacht).” Zo’n begeleiding is intensief. Voor beide partijen. “Bovendien moet het klikken”, zegt Marina. “Iemand die denkt mij hier wat te kunnen commanderen, is aan het foute adres. Maar met Nathalie heb ik dat probleem nooit gehad. We hebben elkaar altijd goed begrepen. Weet je dat ze de enige was die me dit jaar gebeld heeft om me een gelukkig nieuwjaar te wensen, om twaalf uur ’s nachts.”

‘Ik ben niet de stijve tante die zegt dat mensen dit of dat moeten doen’

“Marina heeft haar manier van leven”, vertelt Nathalie. “Had ik hier als een stijve tante gezeten en haar gedicteerd dat ze dit en dat moest doen, ben ik er zeker van dat ze op onze tweede afspraak niet thuis was geweest.”

Dankzij de inspanningen van zowel Nathalie als Marina wonen haar kinderen nog steeds thuis. “Het moment dat de vraag gesteld wordt of dat nog kan, is wanneer wij tussenkomen”, vertelt Nathalie. “Daarop volgt een zeer intensief programma van een maand met soms tot vijf huisbezoeken per week. Tijdens de eerste week worden er doelen opgesteld: zaken waarvan de mensen zelf willen dat ze veranderen. Dat kunnen - in het geval van spijbelende kinderen - huisregels zijn, maar net zo goed een dagindeling, iets waar veel van onze gezinnen zelf niet toe komen.”

‘Eigenlijk had ik een andere job op het oog’

Een maand lang een vreemde dulden in de intimiteit van je familie is niet voor iedereen evident. Nathalie is dan ook niet overal even welgekomen als bij Marina . “Dan probeer ik dat gezin mee te krijgen door te zeggen: ‘Goed, u wilt van de jeugdrechtbank af? Wat kunnen wij daar de komende vier weken aan doen?’ Dan lukt het meestal wel.” Na anderhalf jaar crisiswerk heeft Nathalie al een en ander meegemaakt en gezien. “Naar het schijnt hou je deze job gemiddeld drie jaar vol. Ik ben dus ongeveer halfweg. Wat ik daarna zal doen? Dat weet ik nog niet, maar het zal ongetwijfeld opnieuw een job in de sociale sector zijn.”

Ook voor ze bij De Matant belandde, deed Nathalie gelijkaardig werk. “Mijn eerste job was in een begeleidingstehuis voor geplaatste jongeren. Ik werkte daar in een leefgroep. Daarna ben ik als gezinsbegeleidster bij Kind&Gezin aan de slag gegaan. Het verschil met hier is dat de drempel daar veel lager lag. Mensen konden er echt aankloppen met hun problemen. Hier moet je doorverwezen worden.”

Eigenlijk heeft Nathalie nooit gesolliciteerd voor de job die ze nu doet. “Ik had hier, binnen de organisatie, een andere baan op het oog, maar dat bleek uiteindelijk een parttime te zijn, wat voor mij financieel niet haalbaar is. Maar ze hadden iets anders voor mij: crisiswerk. De coördinator van De Matant vond me kordaat, transparant en communicatief. En dat heb je wel nodig in deze job. Als mensen in een crisis het noorden helemaal kwijt zijn, mag je niet mee panikeren. Dan moet je analytisch en krachtig te werk gaan, de opties overlopen en kunnen zeggen: ‘Dit gaan we doen.’” Wie in de crisishulp stapt, mag zich volgens Nathalie verwachten aan hard werken. “Ik doe dit niet om ergens koffie te gaan drinken, hé. Het is een zware job met veel avondwerk.”

‘Ze mogen me in het holst van de nacht uit mijn bed bellen’

In principe staat Nathalie een maand lang 24 uur per dag klaar voor het gezin dat ze begeleidt. “Ze mogen me inderdaad in het holst van de nacht uit mijn bed bellen. Op voorwaarde dat het dringend is uiteraard. Meestal blijft het op die momenten ook beperkt tot telefonische hulp. In extreme gevallen ben ik bereid om ter plaatse te gaan, maar dat is nog maar een keer gebeurd.”

Die onregelmatige uren hebben ook hun voordelen. “Ik regel mijn werk grotendeels zelf. Ik moet hier niet elke dag om half negen staan. Als ik ’s ochtends eerst nog naar de GB wil gaan, kan dat. Die vrijheid is belangrijk voor mij. Als ik ’s avonds om negen uur nog een huisbezoek heb, doe ik wat ik dan gepland had gewoon in de voormiddag.”

(wim.verdoodt@jobat.be)       

28/04/2009

  • 28 april 2009