Hoe komen we uit de crisis?

Jo Libeer, gedelegeerd bestuurder Vlaamse ondernemersorganisatie Voka
"Men voelt de crisis nog niet op de arbeidsmarkt - en ik denk ook niet dat men die in de toekomst zal voelen" (Jo Libeer, gedelegeerd bestuurder Voka)

Het vertrouwen in onze economie nam de afgelopen maanden een diepe duik. Niet alleen werknemers maar ook werkgevers maken zich steeds meer zorgen. Jobat ging de temperatuur opmeten in het hoofdkwartier van de Vlaamse ondernemersorganisatie Voka.

'De eerste maanden van 2011 liep alles nog formidabel, daarna zijn de resultaten gehalveerd en vervolgens zijn ze nog eens gehalveerd', vat gedelegeerd bestuurder Jo Libeer de zaken samen. 'Ik heb de indruk dat de Vlaamse bedrijven het jaar behoorlijk hebben afgesloten, zij het dus in een 6-4-2-scenario.'

Merkt u in uw dagelijkse omgang met bedrijfsleiders veel ongerustheid?

Wat juist de inschattingen zijn voor de toekomst, is natuurlijk een heel subjectief gegeven. Eind december was ik op de Bedrijven Contactdagen in Kortrijk, waar zo'n zeshonderd bedrijven exposeerden en 14.000 bezoekers rondliepen. 'We zitten te wachten totdat iemand ons zegt wat er op ons zal afkomen', zei een ondernemer daar tegen mij. Misschien is die zin wel een goede samenvatting van wat iedereen denkt. Rond het inschatten van economische omstandigheden hangt altijd een pak psychologie. Maar ook wanneer je rationeel nadenkt, kan je er niet onderuit: als de banken een en ander moeten opkuisen, dan zal dat automatisch een effect hebben op hun financieringscapaciteiten. Ondernemingen zijn dus heel benieuwd wat de banken het komende jaar zullen doen.

Merkwaardig genoeg zien we die groeiende vrees voorlopig niet vertaald in grote wijzigingen op de arbeidsmarkt. Het aantal werklozen daalt, het aantal vacatures stijgt. Men voelt de crisis nog niet op de arbeidsmarkt - en ik denk ook niet dat men die in de toekomst zal voelen.

Het afgelopen jaar ontving de VDAB 307.000 vacatures terwijl er 200.000 werklozen zijn. Tegen 2015 stappen er naar schatting 470.000 mensen uit de arbeidsmarkt. Die moeten allemaal vervangen worden. Dat levert een merkwaardige situatie op: we worden niet alleen geconfronteerd met een economische vertraging, maar ook met een nooit geziene vervangingsvraag.

In arbeidsmarkttermen is dat misschien een goede zaak, er zijn toch een aantal kanttekeningen bij te maken. De vervangingsinstroom zou de illusie kunnen wekken dat we de fundamenten van ons sociaal-economisch systeem niet moeten herzien. In termen van loonkost zijn we niet meer competitief met onze buurlanden. De huidige en toekomstige schaarste op de arbeidsmarkt zal automatisch een prijseffect hebben, wat nog eens bovenop de loonkosthandicap komt die we nu al hebben.

Wat moet er gebeuren?

De essentiële vraag is hoe we de competitiviteit van onze ondernemingen kunnen herstellen. Dat kan enkel door de instroom op de arbeidsmarkt te vergroten, zodat de schaarste wordt weggewerkt. Om de instroom te vergroten, moeten we verschillende doelgroepen aanboren. Zo moet er een einde komen aan de veel te grote 'ongekwalificeerde uitstroom' uit het onderwijs. De overgang tussen school en werk moet vlotter, bijvoorbeeld door het werkplekleren beter in elkaar te steken en door duidelijker te zijn over welke studierichtingen kansen geven op de arbeidsmarkt.

Moeten jongeren gestuurd worden in de richting van een studie die werkzekerheid garandeert?

Jongeren moeten vrij zijn om de opleiding van hun keuze te volgen, maar als je weet dat je kansen op de arbeidsmarkt nihil zijn als je een bepaalde richting opgaat, dan moet het systeem van wachtuitkeringen en werkloosheidsuitkeringen dat ook incalculeren. Al mag en kan je natuurlijk geen 'sancties' toepassen zolang je jongeren en ouders niet voldoende brieft op voorhand.

Om de instroom te vergroten moeten we ook inzetten op diversiteit. We moeten het diversiteitsbeleid in onze bedrijven promoten, want ondernemers stellen zich soms nog te terughoudend op in dat soort zaken. Maar ook bij de allochtonen zelf ligt een verantwoordelijkheid, net als bij de overheid, die mensen niet alleen moet aanmoedigen maar ook moet verplichten om hun leven in handen te nemen. Activering mag niet enkel een 'wortelfenomeen' zijn, men moet indien nodig ook sancties kunnen opleggen. Dat is niet reactionair of neoliberaal, dat is hoe normale ouders hun kinderen opvoeden. Vooral in kansengroepen komt het vaak voor dat mensen verkeerd lopen door een gebrek aan structuur. Precies daarom moet de maatschappij dat soort structuurvorming overnemen. Daarmee zeg ik niet dat we mensen in de armoede willen duwen.

De vijftigplussers vormen een derde groep waar we volop op moeten inzetten. De participatiegraad op de arbeidsmarkt schommelt in Vlaanderen tussen de 78 en de 80 procent voor mensen tussen 25 en 50 jaar. Bij 55-plussers vallen we plots terug op 38 procent. We moeten afstappen van onze citroenloopbanen en onze carrières langer laten duren. Het mag geen optie zijn om tijdens je loopbaan tijdskrediet te nemen en vervolgens op je vijftigste de stekker eruit te trekken en altijd de anderen de shit te laten oplossen.

Na de oorlog werd de pensioenleeftijd ingesteld op 65 jaar, terwijl de levensverwachting bij mannen toen 64 jaar was. Vandaag gaan we tot 25 jaar naar school, betalen we 29,7 jaar aan de sociale zekerheid en genieten we vervolgens nog 30 jaar van het systeem. Dat is niet langer houdbaar. Het brugpensioen moet afgeschaft worden en ook de ondernemingen moeten zich aanpassen. Je kan niet verwachten dat een 62-jarige in een industriële onderneming dezelfde productiviteit aan de dag legt als een 24-jarige.

Zijn verlofstelsels als loopbaanonderbreking of ouderschapsverlof geen goede middelen om mensen in staat te stellen langer te werken?

België is kampioen op het vlak van work-life balance, bleek vorige week nog. Het is perfect te begrijpen dat mensen in de loop van hun carrière nood hebben om er even uit te gaan - wanneer ze kinderen krijgen of wanneer hun ouders ziek worden, bijvoorbeeld - maar je zou zelf verantwoordelijk moeten zijn voor de keuzes die je maakt. Daarom pleiten we voor een geïndividualiseerd model - het beroemde rugzakmodel - waarbij je zelf verantwoordelijk wordt voor je loopbaan. Als je de keuze maakt om eruit te stappen voor een bepaalde periode, dan mag dat niet gelijkgeschakeld worden met je bijdrage aan je pensioen en de ziekteverzekering. Op dat moment draag je immers niet bij aan het systeem.

We hebben in ons land ook een veel te groot overheidsapparaat. De mobiliteit tussen de publieke sector en de privésector is veel te laag. Ook ambtenaren vormen dus een belangrijke doelgroep. Ik geloof niet in de karikatuur dat alle ambtenaren ‘miskweekt’ zijn. De overstap van de publieke naar de private sector zou veel vlotter moeten kunnen.

Tot slot ben ik een geweldige voorstander van economische migratie, nog een manier om de instroom op de arbeidsmarkt te vergroten. De vraag is alleen wat het mentale absorptievermogen is van Vlaanderen. Zijn we daar wel klaar voor? Je ziet nu al hoe verkrampt Vlaanderen omgaat met de multiculturele metropool die Brussel is. Is Vlaanderen klaar voor een wereld die zal draaien rond metropole omgevingen? We hebben maar één metropool in België en we spuwen ze eigenlijk uit. En toch zullen we geen keuze hebben. We staan voor een gigantische economische migratie. Waar halen we anders de 450.000 mensen die we nodig hebben tegen 2015?

Is economische migratie niet de laatste optie?

Ik weet niet of je daar een volgorde in kan plaatsen. Alles hangt af van de snelheid van absorptie van de verschillende doelgroepen op de arbeidsmarkt. We moeten op alle doelgroepen even veel inzetten.

Verwacht u veel heil van de nieuwe regering?

Als je grote veranderingen wil doorvoeren, zei Luc Cortebeeck ooit, dan moet je de mensen perspectief geven - 'daar gaan we naartoe' - en moet je kiezen voor een geleidelijke evolutie. Ik ben het daar volledig mee eens. Iedereen is het trouwens al vijftien jaar ontroerend eens over de diagnose en het perspectief, maar het proces om er te geraken hebben we al die tijd verkeerd gemanaged. Als je verandering wil, heb je een zekere ontevredenheid nodig. Die ontevredenheid zien we nu pas overal opduiken, maar tijd voor geleidelijkheid hebben we niet meer. We hebben vijftien jaar lang niet de moed gehad om het proces uit te tekenen dat ons moet brengen waar we nu eigenlijk al hadden moeten staan.

De vakbonden hebben daar een heel behoudende rol in gespeeld. Ze hebben te veel geluisterd naar hun huidige leden, terwijl ze eigenlijk ook hun toekomstige leden zouden moeten vertegenwoordigen. Organisaties als de onze hebben ook een verantwoordelijkheid ten opzichte van toekomstige leden. Ik denk dat niemand van ons grote medailles moeten krijgen voor moed, wat dat betreft.

Voka pleitte in het verleden voor een verregaande regionalisering van het arbeidsmarktbeleid en het sociaal overleg. Die is er niet gekomen.

Ik redeneer niet zo graag in termen van structuren. Wat mij interesseert, is hoe je op de beste manier een traject en een perspectief in elkaar kan steken voor je klant. De recente hervormingen helpen ons vooruit, maar niet zoveel als we wilden. De zesde staatshervorming draagt in zich de kiemen van de zevende staatshervorming. Wie er anders over denkt, dwaalt.

Structuren volgen strategie. Ik vraag me af of we het sociaal overleg nog kunnen beperken tot een hoogmis over loon- en arbeidsvoorwaarden om de twee jaar, waarbij alles draait om collectieve belangenbehartiging. Moeten we niet evolueren naar een vorm van loopbaantrajectbegeleiding, waarbij individuen in staat worden gesteld om zelf hun eigen loopbaan in elkaar te steken?

De volgende twee jaar zullen we in een soort flou artistique zitten: verschillende bevoegdheden zullen een voor een worden overgedragen. Dat zorgt ervoor dat we met Voka waarschijnlijk meer dan in het verleden de federale overheid in het oog zullen houden en zullen proberen te wegen op hun beleid. We zullen daar wellicht toch iets meer onze neus in moeten steken.

Doet Vlaanderen het ondertussen beter? Ondernemers voelen het effect van het Vlaamse beleid niet, zo kloeg Voka afgelopen zomer.

Heel het reglementaire kader - dus ook het fiscale - is federale bevoegdheid. De Vlaamse regering is dus per definitie een subsidieregering. We zijn kritisch ten opzichte van de Vlaamse regering, maar we weten dat ze eigenlijk niet veel wapens heeft om ten opzichte van de hele ondernemersgemeenschap eenduidige en klare maatregelen te nemen.

Het feit dat het haar aan bepaalde bevoegdheden ontbreekt, neemt niet weg dat de Vlaamse regering wel degelijk stappen kan zetten waar de ondernemingen op zitten te wachten, zowel op micro- als op macrovlak. We zien wel dat er beweging komt in de versnelling en vereenvoudiging van vergunningsaanvragen, en op het vlak van infrastructuur is minister Crevits aan een gigantische inhaalbeweging bezig.

Over het macroniveau maak ik me meer zorgen. In Vlaanderen kan je in grote investeringsdossiers vaak geen steen verleggen. Ik wacht op de Lange Wapper, ik wacht op de Spartacusverbinding, ik wacht op het Schipdonkkanaal, ik wacht op UPlace. Dat zorgt toch wel voor wat frustratie in de ondernemerswereld.

(mo) 

Meer info over Carrière , Welzijn

20/01/2012