De echte slachtoffers van de politieke crisis: onze wetenschappers

“De kans is reëel dat onze beste onderzoekers uitwijken naar het buitenland” (Professor Marc Hooghe)

258 dagen zonder regering. We zijn het onderhand gewend en het land blijft zonder al te veel problemen draaien. Toch begint er hier en daar iets te kraken. Het federaal wetenschapsbeleid, bijvoorbeeld. Meer dan 500 wetenschappers dreigen tegen het einde van dit jaar te worden afgedankt. "Het is een schrijnende toestand."

Thomas Roger (28) is een jonge Franse wetenschapper. Hij doctoreerde in de kernfysica en werkt momenteel in ons land mee aan een prestigieus federaal onderzoeksproject dat deel uitmaakt van de interuniversitaire attractiepolen (IAP’s). In oktober loopt zijn contract af. Ondanks het belang van het onderzoek kan het project niet worden verlengd zolang er geen nieuwe regering is.

"Ik denk inderdaad niet dat mijn contract hier verlengd zal worden tegen het einde van het jaar", verzucht Roger. "Bijzonder jammer, want ik had het leuk gevonden om verder te werken aan dit project. Maar blijkbaar is dat niet mogelijk, er is geen steun meer voor de IAP’s. Ik zal alles hier moeten achterlaten en ergens anders een plaats als postdoc vinden, waarschijnlijk in Frankrijk. Nee, in België blijf ik niet."

Herkenbare situatie

Voor heel wat wetenschappers is het verhaal van Roger maar al te herkenbaar. Het wetenschapsbeleid mag dan grotendeels geregionaliseerd zijn in ons land, een deel ervan zit nog steeds federaal. Niet zonder reden, overigens. Zo zijn ruimtevaartactiviteiten nog steeds federale materie omdat het Europees ruimtevaartagentschap ESA enkel nationale staten aanvaardt als lid. Instellingen als het KMI of de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten maken eveneens deel uit van het federaal wetenschapsbeleid.

Een andere bevoegdheid van de federale overheid zijn de nationale onderzoeksprogramma’s, waartoe ook de succesvolle interuniversitaire attractiepolen behoren. Dat zorgt voor problemen nu de huidige fase van dat programma op zijn einde loopt. "Eind 2011 loopt fase 6 van het programma af, en er is geen enkele zekerheid dat de attractiepolen daarna verdergezet kunnen worden", weet professor Marc Hooghe, als hoogleraar politicologie en sociologie verbonden aan de K.U.Leuven.

Volgens Hooghe is de kans reëel dat de beste onderzoekers uitwijken naar het buitenland. "Op 31 december loopt voor vele wetenschappers hun contract af, en ze hebben voorlopig geen zicht op een mogelijke verlenging. Het is niet vreemd dat zij beginnen uit te kijken naar iets anders. Misschien heeft het buitenland iets beters te bieden? Misschien zoeken ze beter werk buiten het wetenschappelijk veld?"

Vervelende zaak

Zo’n vaart zal het niet lopen, denkt men op het kabinet van Sabine Laruelle, federaal minister van onder andere Wetenschapsbeleid. "Er is geld voorzien voor de attractiepolen tot het einde van 2011. Op korte termijn is er dus geen enkel probleem: de contracten lopen, iedereen kan zijn onderzoek verderzetten. Daarna moet er natuurlijk wel een regering zijn om een politieke beslissing te nemen over een eventuele verlenging."

"Daarvoor wordt het wel héél kort dag", reageert professor Dirk Inzé, hoogleraar moleculaire plantenbiologie en -fysiologie aan de Universiteit Gent. "Je hebt toch al snel een jaar nodig om dat rond te krijgen. Je moet een oproep rondsturen, mensen moeten de tijd krijgen om projectvoorstellen in te dienen, die voorstellen moeten internationaal geëvalueerd worden, dat moet weer allemaal samengebracht worden … Stel dat er in september een nieuwe regering is – en die beslist ook effectief om verder te gaan met de IAP’s, wat hopelijk het geval zal zijn – dan heb je op het einde van het jaar nog geen volledig nieuw IAP-netwerk. Het is een zeer vervelende zaak."

Eén oplossing

Een vervelende zaak waar Inzé voorlopig maar één oplossing voor ziet. "Ik hoop dat we een jaar tijd kunnen kopen, tot er een nieuwe regering is die een aantal belangrijke knopen kan doorhakken." Anders gezegd: de regering van lopende zaken zou kunnen beslissen om de financiering van de IAP’s met één jaar te verlengen door hen hetzelfde bedrag toe te kennen als in 2011.

Ook Hooghe ziet wel heil in het verlengen van de projecten voor de duur van één jaar. "Het zou het acute probleem voorlopig oplossen. Maar als je echt getalenteerde wetenschappers uit het buitenland wil aantrekken, dan is het toch belangrijk dat je ze vijf jaar werkzekerheid kan aanbieden, net als zicht op voldoende werkingsmiddelen en ondersteuning."

De projecten gewoon verlengen, zonder een evaluatie en zonder een nieuwe oproep, is volgens Inzé enkel mogelijk voor een korte periode. Daarna is een grondige evaluatie op zijn plaats. "Het lijkt me gezonder om na vijf jaar de verschillende projecten te evalueren en eventueel aan te passen. We moeten ook jonge mensen bij de IAP’s blijven betrekken en hen de kans geven om hun eigen ideeën in de praktijk om te zetten. Laat ons hopen dat onze politici toch een beetje hun wijsheid zullen gebruiken en niet alles wat werd opgebouwd zomaar in de vuilbak kieperen. Dat zou bijzonder spijtig zijn."

Werk niet af

Volgens De Cupere leeft er onder wetenschappers veel ongerustheid over het nakende einde van de IAP-projecten. "Het gaat om heel degelijke onderzoeksprojecten, waarbij wetenschappers gebruik kunnen maken van een groot netwerk dat met veel moeite werd uitgebouwd. Het zal bij iedereen hard aankomen mocht dat niet blijven voortbestaan. Ik denk dat niemand zoiets graag ziet eindigen."

Zo’n 550 mensen worden rechtstreeks betaald door de IAP-projecten. Inzé: "Veel van die getalenteerde wetenschappers beginnen nu uit te kijken naar een andere job. Een schrijnende toestand, in feite." Dat de IAP’s anders zijn dan andere onderzoeksprojecten, wil professor Inzé graag bevestigen. "Door die projecten is er over de jaren heen echt geïnvesteerd in wat toch wel de topdisciplines van de Belgische wetenschap zijn."

Volgens professor Hooghe zijn de attractiepolen zonder meer de langst lopende onderzoeksprojecten in België. Bovendien ligt het budget hoger, en mogen wetenschappers er binnen een dergelijk project vanuit gaan dat ze kunnen werken in de best mogelijke omstandigheden. Een vorm van excellentiefinanciering dus.

Hooghe: "Verschillende gevestigde grote instellingen, ook buitenlandse, zijn bij die projecten betrokken. De wetenschappers in kwestie zijn vaak ouder, internationaal erkend en zeer ervaren. In het buitenland zie je dat dit soort netwerken steeds meer wordt gestimuleerd. Bij ons helaas niet: hier is er sprake van een versnippering in plaats van een consolidatie."

Enorm verlies

Daarmee wijst professor Hooghe meteen op een ander heikel punt. Steeds meer politieke stemmen gaan op om het federaal wetenschapsbeleid volledig af te schaffen, zeer tegen de zin van de Belgische wetenschappers. In november al luidde een aantal belangrijke academici - onder wie aan Vlaamse kant Catherine Verfaillie, Paul De Grauwe, Dave Sinardet en Bruno De Wever - in een open brief de alarmbel over de nakende afschaffing van de federale IAP’s. De reactie kwam er naar aanleiding van de nota-Vande Lanotte, waarin de IAP’s aan de regio’s werden toegewezen. Weinig wijst erop dat de programma’s bij een verdere regionalisering worden verdergezet.

"De 28 miljoen euro die jaarlijks besteed wordt aan de attractiepolen, zullen de gemeenschappen kunnen besteden zoals zij willen", legt Hooghe uit. "Maar de gemeenschappen bezuinigen op wetenschap, en regionale instellingen als het FWO houden zich vooral bezig met kleinere mandaten."

Bovendien dreigt de samenwerking tussen de regio’s, en met het buitenland, bij een verdere regionalisering in de soep te draaien. Dirk Inzé: "Het zou een enorm verlies betekenen. De IAP’s zijn het laatste middel om een goede samenwerking tussen de landsgedeelten mogelijk te maken. Wetenschap kent geen grenzen: zowel aan Waalse als aan Vlaamse kant zit zeer veel expertise die door dergelijke projecten veel meer opbrengt. Dergelijke positieve schaaleffecten zullen verloren gaan. Bovendien leven we nu al met de grote frustratie dat er geen centraal aanspreekpunt meer is. Europa heeft grote internationale netwerken opgezet waarbij verschillende landen één netwerk vormen. Mensen die in dat land wonen, kunnen deelnemen aan die projecten. Als België aan die prestigieuze internationale programma’s mee wil werken, moet de federale overheid een aanspreekpunt vormen."

Philippe Mettens, voorzitter van het Federaal Wetenschapsbeleid, is van oordeel dat een eventuele regionalisering van de IAP’s uiterst nadelig zal zijn voor het programma en voor de ontwikkeling van fundamenteel onderzoek in ons land. "Er zullen minder financiële middelen voorhanden zijn, vroeg of laat zullen er verschillen in de aanpak van beide gemeenschappen opduiken en op termijn zal de uitvoering van hoogstaand wetenschappelijk onderzoek in netwerkverband, de essentie zelf van het programma, verdwijnen."

In cijfers

500.000.000

Zoveel euro gaat er jaarlijks naar het federaal wetenschapsbeleid. Ruw gesproken gaat er van die 500 miljoen zo’n 200 miljoen naar ruimtevaartactiviteiten. 100 miljoen gaat naar de federale wetenschappelijke instellingen, 100 miljoen bestaat uit dotaties aan de gemeenschappen voor de opvang van buitenlandse studenten en nog eens 100 miljoen is bestemd voor de nationale onderzoeksprogramma’s zoals de interuniversitaire attractiepolen (IAP’s).

6

Eind 2011 loopt de zesde fase van het IAP-programma af. Deze fase voorzag de verschillende projecten van een bedrag van in totaal 143 miljoen euro voor een periode van vijf jaar (jaarlijks ongeveer 28 miljoen euro).

44

Zoveel IAP-netwerken zijn er actief in deze zesde fase. Elk netwerk bestaat uit vier tot soms vijftien onderzoeksteams van verschillende instellingen.

500

Aantal voltijdse equivalenten tewerkgesteld in het IAP-programma. In absolute cijfers gaat het om zo’n 550 mensen. Hun job hangt aan een zijden draadje.

(mo) – Illustratie: (jvc)

25/02/2011

  • 25 februari 2011