Zwellende liefde

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. In 2006 debuteerde hij met zijn roman Ex.

Er groeide iets op het voorhoofd van mijn collega. Zoals alle lelijke dingen, begon het onschuldig. Niet meer dan een rood speldenknopje. Waarschijnlijk een verstopte porie, een insectenbeet. Na een week was het in omvang verdubbeld. Een stevige puist in wording, dacht ik nu. Wat laat voor een man midden dertig. Maar ach, weet ik veel hoe hormonen werken. Ik begon er maar niet over.

De getroffen collega werkte nog maar een halfjaar bij ons. Hij maakte lange dagen maar verzette minder werk dan de rest van de afdeling. Dat hij ook nog eens acht jaar ouder was, hielp zijn zelfbeeld vermoedelijk niet. Als ik hem een schouderklopje wou geven, dook hij ineen. Dan keek hij zoals de teckel die ik als kind had. Een aanlopertje. Bij het geluid van de borrelende waterkoker, wierp hij zijn bruine worstenlijfje tegen de glazen tuindeur.

Na twee weken leek het alsof mijn collega een tepel had boven zijn rechterwenkbrauw. Een harde vrouwentepel, wulps bijna. Dit was geen puist meer. Waar bleef het geelwitte kopje dat op knappen stond?

Moest ik er naar informeren? Als het in zijn nek had gegroeid, was het mijn plicht geweest hem erop te attenderen. Misschien was het kwaadaardig en behoedde mijn waarschuwing hem voor erger. Maar dit zat op zijn voorhoofd. Hij zou toch wel eens in de spiegel kijken? Op zijn minst bij het tandenpoetsen.

Onze bureaus stonden tegenover elkaar. Hij wist dat ik het gezien moest hebben. Verwachtte hij dat ik de eerste stap zette? Of zou hij het verdringen? Hij had geen vriendin en sprak nooit over zijn weekends. Misschien had hij geen naasten, niemand die hem even terzijde nam. Je hoort wel eens over mensen die hun hele been laten verrotten door diabetes. Te bang om naar de dokter te gaan.

Drie weken later was het gezwel duimdik geworden. Het glansde. Misschien was het een botmisvorming. Misschien groeide het aan de binnenkant van zijn schedel even hard zijn hersenen in. Misschien drukte het op een of andere oogzenuw. Zag hij het gewoonweg niet. Het leek nu elke dag zichtbaar te groeien. Soms dacht ik dat het groter was na de lunch dan bij de ochtendkoffie. Wat als het besmettelijk was? Wat als er eitjes in zaten? Na een maand had ik genoeg internetplaatjes van misgroeiingen opgezocht en vergeleken met het ding op zijn voorhoofd. Toen we alleen in het keukentje zaten, greep ik mijn kans.

-Ik wil je iets vragen. Sorry als…
-Ik weet wat je wil vragen. Ik zag je al kijken.
-Was het zo duidelijk? Ik probeerde het onopvallend te doen.
-Ik herken die blik.
        

Hij stelde me op mijn gemak. Dat het normaal is. Maar dat hij zelf op vrouwen valt. Hij vond me sympathiek, meer niet. Ik was de enige die hem schouderklopjes gaf. Maar met zulke ogen zou hij nooit naar een man kunnen kijken.

Een week later kon hij op een andere afdeling aan de slag. Een opmerkelijke snelle transfer voor ons bedrijf. Eén keer vroeg ik de secretaresse hoe het met hem ging. Haar pretoogjes weerhielden me ervan om over zijn voorhoofd te beginnen.

(Thomas Blondeau)   

11/09/2009

  • 11 september 2009