Verse sokken

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Vorig jaar verscheen zijn tweede roman Donderhart.

Aan een Nederlandse universiteit liep tot voor kort een geval van ‘Toch jammer’ rond. Hij is een gearriveerd historicus en heeft een boekenplank volgeschreven. De helft van het oeuvre bestaat ook nog eens uit publiekslievelingen. Van zijn aanstelling is hij dus verzekerd. Het doceren ziet hij niet als een noodzakelijk kwaad maar ook niet als een must, het bestuurlijke werk probeert hij tot een minimum te beperken.

Hij is de wetenschap ingegaan om het onderzoeksveld in te duiken, daar langdurig rond te scharrelen en zijn bevindingen vervolgens te presenteren aan de wereld. Personeelsbeleid en leidinggeven, dat is niet waarvoor hij wakker wordt ’s ochtends. Maar een paar jaar geleden had hij het gevoel te surplacen. Sinds zijn afstuderen had hij altijd het gevoel gehad te klimmen. Nu was hij op een plateau aanbeland. Een hoog plateau weliswaar, een die niet voor iedereen weggelegd was, maar desalniettemin, een vlakte.

Hij zou weer een boek kunnen schrijven, weer een project beginnen maar de ontginning van nieuwe gebieden begon hem al te vertrouwd en zelfs routinematig over te komen. Het parallelle discours van managen en organiseren interesseerde hem niet en dus kon hij niet de eerbare vluchtroute nemen van het academisch carrièrisme. Hij nam zijn toevlucht tot het beproefde middel van de sabbatical. Een halfjaar zeilen en een halfjaar aan een Amerikaanse universiteit.

Bruinverbrand en aangekomen begon hij aan weer een jaar van nieuwe studenten die hoofdzakelijk werkstukken schreven die hij al twintig keer gelezen had. Zijn naam bleef publiek trekken maar zelf begon hij over zijn loopbaan te denken in termen van ‘absolute leeftijd’. Ballerina’s van boven de dertig zijn er nauwelijks, natuurkundigen die hun beste werk afleveren na hun zestigste zijn virtueel onbestaand. Misschien gold dat ook wel voor zijn veld. Hij had gepiekt, het was mooi geweest.

Maar in plaats van stoïcijns te glimlachen, begon het hem steeds meer te schemeren. Een depressie volgde en na maanden van steeds slordiger werk, volgde een lange periode van afwezigheid. Toen ik hem onlangs interviewde, was dat naar aanleiding van zijn nieuwe boek dat weer de nodige weerklank kreeg. Toen het opnameapparaatje was uitgeschakeld, vroeg ik wat hem uit zijn impasse had geholpen. Hij liet een snurkend lachje horen en zei: ‘Verse sokken. Ik was altijd gewend om mijn sokken twee dagen te dragen. Toen dat dagelijks werd, ging het opeens een stuk beter.’ Ik glimlachte beleefd maar vroeg door. ‘En ik heb mijn bureau iets hoger gezet. Zag ik net een ander stukje van de tuin.’

Ik nam genoegen met zijn onbevredigende antwoorden en bedankte hem voor zijn tijd. Aan de deur zei hij: ‘Weet u, toen ik aanvaard had dat ik alleen nog maar bagger zou schrijven, ben ik begonnen. En soms denk ik dat dit boek ook bagger is. Maar als deze periode mij iets geleerd heeft, dan is het dat ik het gewoon niet altijd bij het rechte eind heb. Dat inzicht hielp me.’ Hij schudde me hand en zei toen: ‘Nee, ik lieg. Het waren toch de sokken en het bureau.’

(tb)

19/08/2011

  • 19 augustus 2011