Maagdencollega

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Vorig jaar verscheen zijn tweede roman Donderhart.

Ik ben niet godvruchtig te noemen. Ik kan niet bevroeden waarom een opperwezen de wereld in zeven dagen zou creëren. Ik begrijp niet waarom God liefde is maar de joden geen kreeft laat eten. En waarom christenen zich niet hoeven te storen aan die spijswetten maar wel aan het feit dat sommige mannen andere mannen leuker vinden dan vrouwen.

Er is eigenlijk maar een aspect aan de mens dat me wel eens doet twijfelen aan mijn overtuiging dat God niet bestaat; namelijk het verlangen. Je wil iets, je krijgt het en je wil meer. Je wil iets, je krijgt het niet en je wil meer. Het is onoplosbaar en onuitroeibaar. Alleen maar een almachtige, ontzagwekkende kracht kan zo iets in de weldenkende mens planten.

Nu heb ik een collega waar God een hekel aan heeft. Want hoewel hij de dertig gepasseerd is, heb ik het vermoeden dat hij het nog nooit gedaan heeft. Dat kan, is geen schande maar het maakt zijn leven er niet makkelijker op. De afgelopen jaren merkten we dat alleen maar indirect. Vakantieverhalen betroffen meestal alleen zijn ouders. Zijn weekends bracht hij door met oude schoolvrienden.

Hoe hitsig het terrasweer ook was, geen woord kwam over zijn lippen over hoe kort de rokjes of hoe wijd de armgaten van de topjes ook waren. Gezien zijn slechte kledingsmaak en zijn volledig gebrek aan interesse in de special die we ooit hadden over gebronsde, half ontklede roeiers konden we homoseksualiteit ook uitsluiten.

We gooiden het maar op aseksualiteit - de Nederlandse premier Rutte wordt het ook toegedicht. Ik bewonderde mijn collega om zijn onverschilligheid daar waar het ging om zaken van de vleze. Wat een vrije tijd moest die man hebben. Wat een gemoedsrust. We spraken niet meer over zijn vermeende maagdelijkheid.

Tot de vrouwen kwamen. Omdat de vrouwelijke collega’s sneller een betere baan konden vinden of zich gewoonweg niet hadden aangeboden tijdens een sollicitatieronde, werkten we jarenlang in herenclub. Door wat personeelswissels - die economie trekt blijkbaar echt weer aan - werken er opeens twee jonge vrouwen. Op de Facebookpagina van een van hen blijkt dat ze modellenwerk doet.

Het vrouwelijke contigent verhoogt de verbale activiteit op de werkvloer. En het zijn niet de dames die kletsen. Met name de slechtgeklede collega tapt de ene mop na de andere witz. En behulpzaam, joviaal en tof dat hij opeens is. Een mens zou er doodmoe van worden. Die indruk maakte hij zelf ook op de vrijdagborrel. ‘Ik ben kapot’, zei hij ongevraagd. Hij had deze week niet buitengewoon veel werk verzet. Hij maakte altijd al een ongezonde indruk maar nu vrees ik voor zijn hart.

Deze week werd besloten dat beursgenoteerde bedrijven minimum een derde van hun raad van bestuur uit vrouwen moet laten bestaan. Dat is rechtvaardig. Maar de maagdencollega’s van deze wereld zullen het niet makkelijk krijgen. Daar is niets aan te doen. Behalve hen in je gebeden opnemen.

Als je godvruchtig bent, tenminste.

(tb) 

04/03/2011

  • 04 maart 2011