Kontschop

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Vorig jaar verscheen zijn tweede roman Donderhart.

U kent ze wel. Mensen die zeggen: ‘Ontslagen worden was het beste dat me is overkomen.’ Het is hetzelfde slag dat nu een mooier lief heeft dan die feeks die hen bedrogen heeft. Het is een houding die getuigt van een gezond psychologisch huishouden. Alleen heb je niets aan dat inzicht op het moment dat je aan de deur wordt gezet.

Het nieuwe jaar is begonnen en om me heen regent het ontslagen. Niet bij directe vrienden en verwanten, maar in die wat grotere ring van kroegmaten en oud-collega’s. Meestal waren ze ook echt ongeschikt geworden voor hun baan. Met goede moed begonnen ze een paar jaar geleden aan een nieuw leven als redacteur of manager. Na de charmes van de aanlooptijd begon hun arbeidsethos al snel te vervalen. Ze leerden wat het minimum was dat ze aan werk moesten verzetten. Ze kwamen als laatste binnen en stonden als eerste buiten. Hun ‘ennui’ namen ze mee van de werkvloer naar huis. Ze begonnen te verkleuren. Vaak werden het drinkers. In bepaalde overheidsstellingen kunnen ze decennia vegeteren. Of is wegteren een beter woord?

Al je er op je twintigste achter komt dat je ongeschikt bent voor een bepaalde baan, dan heet dat ‘leren’. Op je veertigste heet het ‘falen’. Zeker, het roer kan om tot je op je sterfbed ligt, maar met veel van de voornoemden zie ik het eigenlijk somber in. Iets verandert in een mens die te lang blijft zitten op een plek waar hij ongelukkig is.

Wie in zichzelf snijdt, moet naar een therapeut. Maar waar moet iemand van middelbare leeftijd heen die beseft dat hij langzaam veranderd is in een loonslaaf met een milde vorm van zelfhaat? ‘Coaches, psychologen, iemand die ze een schop onder de kont geeft’, hoor ik u denken. U heeft gelijk. Toch is de kans klein dat ze bij iemand zullen aankloppen.

Ooit hoorde ik een goedverdienende computermeneer beweren dat het de maatschappelijke verantwoordelijkheid is van bedrijven om ook de wat zwakkere broeders werk te verschaffen. Hij doelde op mensen die wat trager functioneren, die al wat ouder zijn, die snel overbelast raken. Zo had hij een vrouw in dienst die allang niet meer meekon met de nieuwste trends in softwareland. Hij gaf haar meer administratieve taken maar daarin was ze ook niet echt goed. Toch hield hij haar aan want ‘waar kan zij anders terecht?’.

Een lovenswaardige, filantropische houding maar ik vrees een zeldzame. Misschien moet er daarom op scholen in plaats van godsdienst of moraal gewoon een vak ‘realiteitszin’ komen. Onder het hoofdstuk ‘arbeid’ staat dan: ‘Het zou zo maar kunnen dat u later in een job terecht komt die u niet leuk vindt. Wees hard voor uzelf en ga weg nadat u het een eerlijke kans hebt gegeven. Zo niet, bent u de lul. In dat laatste geval: niemand wil uw geklaag horen.’

(tb) 

06/01/2011

  • 06 januari 2011