Jobverzet

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Dit jaar verscheen zijn tweede roman Donderhart.

Wraak is zoet. Romig en plakkerig ook. Als de ingewanden van een te lief dier dat net opengereten was, stroomden de strengen softijs op de vloer. Chocolade en vanille vervlochten zich op de groene tegels van het snackbarretje waar ik mijn zomer vergooide. Mijn collega gooide zijn schort in de smeltende brij en stapte de dijk op. Het was het meest heldhaftige wat ik in mijn zestienjarige leven had gezien.

Ik bracht een seizoen door in een plakkerige hel omdat ik zo nodig het advies van anderen moest opvolgen. Een strikte noodzaak voor het nemen van een vakantiejob was er niet. Ik kreeg genoeg zakgeld en mijn ouders waren de mening toegedaan dat er nog tijd genoeg was om te werken. Waarom dan die naar friet en synthetische banaan geurende dagen?

Het is een misvatting dat er veel ongeluk bestaat omdat mensen niet genoeg geven. Minstens zoveel leed ontstaat omdat we niet goed zijn in krijgen. Had ik nu maar gewoon braaf ‘dank je’ gezegd bij de wekelijkse dotatie en die schoolloze weken doorgebracht met het kijken naar de wolken en het afwerken van de Filliers-catalogus. Maar nee, ‘de waarde van geld leren kennen’, ‘op eigen benen kunnen staan’, ‘weten wat echt werk is’, dat waren de slogans van klasgenoten en medescouts. En wat is op die leeftijd belangrijker dan erbij willen horen? Nog zo’n denkfout met vaak catastrofale gevolgen.

Om het dan maar gelijk goed te doen, trok ik naar de kust, de zoutmijnen van onze tijd. Achter een raam waarop iets onbedoeld ironisch stond als ‘Happy Dreams’ of ‘Sunny Side Up’ stonden frituurpan en ijsmachine zo dicht bij elkaar dat het vet lauw werd en de softijs te waterig. Het kon de niet aflatende stroom van snoepers en vreters niet schelen.

’s Nachts droomde ik van witte druipers op de bolle, behaarde buiken, kwakken mayonaise en andalousesaus op kinderkinnetjes en bestellingen die klonken als: ‘Vier met twee bolletjes, allemaal met een bolletje vanille en een met aardbeien, een met nutella, nee, straciatella, heb je smurfenijs? Nee, vorige zomer wel. Nee, Leslie, ze hebben het niet. Ja, ik weet het. Enfin, doe dan maar met citroen, een kleintje met samoeraisaus, en nog een met een bolletje caramel, twee Bikini Burgers met vanille, zonder saus. Allemaal om mee te nemen, behalve de frisco’s. En doe maar witte chocolade in plaats van meloen.’

De baas was opgetrokken uit gelijke delen bakolie en klootzakkerij. Elke ochtend moesten we een contract tekenen dat dezelfde avond verscheurd werd. Mocht de arbeidsinspectie langskomen, dan was alles in orde. Maar hij betaalde onder het minimumloon. En mocht ik een duik nemen in de ketel, zou er geen ziekteverlof zijn.

Omdat ik meer uithoudings- dan doorzettingsvermogen heb, liet ik alles over me heen komen. Zo niet mijn collega. Toen de baas foeterde dat we te traag waren, sloeg mijn medeslaaf zo hard de tapkraan naar beneden dat hij afbrak. Het was het enige van waarde wat ik leerde die zomer. Dat en dat slagroom en stoofvleessaus geen goede mix is.

01/07/2010

  • 01 juli 2010