Hondencart

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Deze week verscheen zijn nieuwe roman Donderhart.

Het lekt bij de loodgieter. De slechtste patiënt is de arts. En wie is het moeilijkst te interviewen? De journalist. Ik verdien vaak mijn geld met vragen te stellen aan mensen. Met dat geld koop ik koffie en tijd om boeken te schrijven. Na twee jaar mag ik daarmee naar buiten komen en gaan mensen vragen aan mij stellen.

Dat vind ik een voorrecht. En een geluk. Een bevriende romancier scheurde ooit zijn borstkas open, gooide zijn hart en de pijn die het omgordde op papier, besteedde de beste jaren van zijn leven aan het leesbaar maken van zijn tragiek, leverde een zeer puike roman af en … toen niets. Ja, een recensie ter grootte van een postzegel in Het Dagelijkse Sufferdje. En een lezing voor de Plaatselijke Beheerraad van de Heemkundige Kring ’t Fluitertje. De vriend en ik praten er niet over. We begrijpen dat deze vorm van leed begraven dient te worden in de grafheuvel die Menselijk Tekort heet.

Nu mijn nieuwe boek op de schappen ligt, zijn er aardig wat mensen wier job ik eigenlijk zelf wil, die vragen aan mij stellen. Ze gaan over het algemeen beter gekleed dan ik. Met de meerderheid van hen is het goed zakendoen. Goed voorbereid, oprechte interesse, onpartijdige benadering.

Maar af en toe staan de sterren niet goed. Iemand had geen tijd om zich voor te bereiden. Iemand heeft eigenlijk een blinde hekel aan je werk. En natuurlijk de interviewer die het een hele eer voor jou vindt om door hem geïnterviewd te worden. Te herkennen aan zijn lange vragen die je alleen maar met ‘ja’ of ‘nee’ kan beantwoorden.

Of je hebt de journalist die maar één ding van je wil weten. Eigenlijk weet hij het al maar jij moet het nog even bevestigen. Als je dat met de beste wil van de wereld niet kan bevestigen, is hij behoorlijk uit zijn hum. Zo wilde een radiopresentator ooit weten of ik homo was. Ik was toen nog in mijn politiek-correcte periode en vond dat je daar niet mocht naar vragen. Ik draaide om het antwoord heen, gooide wat Oscar Wilde-citaten eruit en mijn stem schoot de hoogte in. Dat maakte hem allemaal natuurlijk nog achterdochtiger. Ik werd zo zenuwachtig dat de Studio Brussel-luisteraar waarschijnlijk afvroeg wat er met zijn radio mis was dat het geluid zo hakkelde.

Een collega van de geschreven pers had dan weer het boek niet gelezen maar kwam niet verder dan de vraag hoe je dat nu deed, zo’n roman publiceren. Hij had namelijk zelf wat liggen. En of ik niet eens kon ... Achteraf liep hij weg zonder de koffie te betalen.

Een ander bijzonder exempel van de falende journalist is hij of zij die er in slaagt werkelijk de meest basale feiten nog te verhaspelen. Gaat je verhaal over een pastoor die ver van de geciviliseerde wereld een liefde begint met een vissersvrouw uit het Amazonegebied, dan lees je terug dat een gastheer syfilis heeft opgelopen van een slissende paardrijder. Over mezelf leerde ik dat dan weer dat je mijn achternaam perfect kunt opschrijven als Bordeaux, Bardot of Banlieue. O ja, voor de lezers van Het Dagelijkse Sufferdje: mijn nieuwe roman heet niet Hondencart.

12/02/2010

  • 12 februari 2010