Heldenroest

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Vorig jaar verscheen zijn tweede roman Donderhart.

Denk eens terug aan uw voorbeelden. Niet de mensen die u van verre bewondert. Het is makkelijk om lovend te praten over wie ver weg in de gevangenis zit vanwege zijn huidskleur. Evenzo is het vrijblijvend te fantaseren over wat u had gedaan toen de nazi’s door de straten marcheerden. Heldendom heeft geen receptuur, geen formule tot succes. Wie als een zilverrug door het dagelijks leven banjert, wordt soms bij de eerste tegenslag teruggebracht tot een schichtig doodshoofdaapje.

Nee, ik bedoel die stoere of slimme klasgenoot van vroeger, de jongen met een grote mond tegen de scoutsleiders, die student die nooit een boek opensloeg, alle meisjes kreeg en toch met schouderklopjes afstudeerde. Hoe gaat het daar nu mee? Wel, in mijn omgeving valt het tegen. Hetzelfde risicovolle gedrag dat hun bewonderende blikken en fluittoontjes opleverde, heeft hen op latere leeftijd vaak schade toegebracht. Drugs, verkeersongelukken, verbrande kansen of de nietsontziende zuigkracht van de middelmaat hebben hun werk gedaan. Ze zijn schimmen van zichzelf geworden. Of ze konden niet wachten tot ze een saai lief kregen die hun een alibi verschafte om in het weekend netjes thuis te blijven.

De psychologen van de koude grond en afgunstigen hebben gelijk gekregen: ze waren nog meer dan anderen op zoek naar bevestiging. Dat ze afweken van de middelmaat, had meer met een tekort aan zelfvertrouwen te maken dan met een teveel. Je zou vermoeden dat het opkijken naar en het zichzelf vergelijken met anderen, zou slijten met ouder worden. Met de leesbril komt het scherpere zicht. Helaas, ik blijf erin trappen. Misschien kan een mens niet anders. Geen toeval dat godsdienst maar niet weg te branden is.

Een van mijn helden die nu aan het roesten is, heeft moeite met de overgang van aanstormend naar beklijvend. In alles wat ik nastreef (journalistiek, literatuur en - for lack of a better word - levenskunst), was zij mijn meerdere. Ik bewonderde haar, tot op de rand van puberale verliefdheid. Maar hetzelfde vuur dat haar nachten deed doorstomen, lijkt haar nu langzaam te verteren. Ze herhaalt zichzelf, drinkt te veel, verdwijnt soms voor lange perioden. Het probleem is dat ze meer uithoudingsvermogen heeft dan goed voor haar is. Een ander was er allang aan onderdoor gegaan. Maar het feit dat ze meer (aan)kan dan de doorsnee schrijver/journalist/caféganger was natuurlijk al de reden dat ze me opviel in de eerste plaats. Door haar reputatie, talent en vermogen om snel te kunnen werken, kan ze nog wel een tijdje door. Maar de verzuchtingen beginnen al te weerklinken.

De tijd dat ze luisterde naar waarschuwende vrienden is allang voorbij. Maar het duurt een tijdje voor je een stevige boom hebt doorgezaagd. Ik heb ondertussen andere voorbeelden, mensen die ik benijd of bewonder. Moet ik mijn hart voor ze vasthouden? Of ben ik gewoon niet meer dan een ramptoerist van voortjakkerende persoonlijkheden? In ieder geval, de middelmaat lijkt het te winnen op de lange termijn.

(tb) 

15/09/2011

  • 15 september 2011