Hangers

Ruth Lasters
Ruth Lasters is leerkracht Frans in Borgerhout. In 2007 won ze met haar roman Poolijs de Debuutprijs.

Zij zouden voor de aardigheid naar het personeelsfeest komen in de kledij waarmee ze voor het bedrijf waren komen solliciteren.

Dat hadden de collega’s van de serviceafdeling beslist en Edwina Hessen, het laatst aangeworven personeelslid, had verdwaasd geglimlacht.

Concreet gezien wilde die dresscode zeggen dat meneer Puyssen in het blauwe pak met krijtstreep zou komen dat hij reeds een paar jaar geleden aan zijn broer had gegeven die ermee bij de concurrentie was gaan solliciteren en wél een firmawagen had gekregen, een Opel Astra Break Cosmo 1,7 cdti met kleurendisplay en tankkaart.

Mevrouw Daveel zou, wilde zij het kledingvoorschrift respecteren, in de groene tailleur moeten verschijnen waar zij zo’n decennium geleden de mouwen van had afgeknipt en had verwerkt in de quilt die nu op het echtelijke bed prijkt.

Ludo, Bruno en Ming-Ywat Lan wisten niet meer in welke kleren zij waren komen solliciteren. Zij konden er met de beste wil van de wereld niet opkomen, zoals ook het precieze verloop van hun huwelijksreis hen ontsnapte of de naam van de parkieten die zij vroeger als kind gingen voeren bij hun buren of de exacte redenen waarom zij het jaren geleden überhaupt tot een huwelijksreis hadden laten komen en niet gewoon vogels hadden genomen die zij dan wel Aruba hadden genoemd én Rhodos én Trafalgar én Square.

Het komt er dus op neer dat alleen Edwina zich aan de dresscode heeft gehouden vanavond, als enige op het feest is verschenen in de kleren -een grijs tweed ensemble- waarin zij zich zo’n acht maanden geleden is komen aanprijzen aan de firma. Terwijl ze een surimitoastje in haar mond propt temidden van haar eerder casual geklede collega’s, vraagt zij zich af of zij het slachtoffer is geworden van een flauwe grap. Of hadden zij dat van dat kledingvoorschrift alleen maar om te lachen gezegd en had zij het als enige ernstig opgevat. Bij die gedachte voelt zij een pijnscheut in haar hoofd en ziet zij zichzelf, net als de voorbije nacht, weer in haar kleerkast hangen.

Slapeloos had zij naar haar garderobe liggen staren en zich ingebeeld hoe iedereen van het bedrijf daar met een kapstokhaak door de schedel aan die kastroede bengelde. Zij had zich afgevraagd naast wie van hen - als het dan toch moest - zij het liefst had gehangen in die kast en wiens aanwezigheid ze alleen zou kunnen verdragen als zij er minstens een paar kleerhangers van verwijderd was. Zo had Edwina iedereen een denkbeeldige plaats toegekend. Alleen de kapstokken onmiddellijk naast de hare had zij aan niemand kunnen toewijzen. Er bevond zich niemand tussen haar collega’s wiens onafgebroken aanraking door mouw, rug of broekspijp zij zou kunnen harden. En dus had zij dan maar op de kapstok links van haar, in gedachten, de goedlachse broodjesleverancier gehangen en rechts de warme dame van de poetsdienst die soms haar sopvingers tot naast haar oren bracht en naar het knisperen van het schuim luisterde. Min of meer tevreden over die oplossing, had Edwina dan toch de slaap gevonden.

(Ruth Lasters)   

17/09/2009

  • 17 september 2009