Feest zonder lief

THomas Blondeau
Thomas Blondeau werkt voor het Leids Universitair weekblad Mare. Dit jaar verscheen zijn tweede roman Donderhart.

Een man wees naar mijn voorhoofd. Naar waar, volgens sommigen, je derde oog zit. Omdat ik mijn koptelefoon op had, begreep ik hem niet. Toen ik mijn muziek uitzette, vertelde de man me in zacht Engels dat ik een prachtig voorhoofd had. En een wijs man was.

Ik wou al doorlopen maar in één ademgeut vertelde hij me dat ik lang en gelukkig zou leven; dat ik de afgelopen drie jaar hard gewerkt had; dat een vrouw met blauwe ogen mijn hart had gebroken. Dat laatste detail moet voor een milliseconde mijn gezicht van straatbeleefdheid hebben opengebroken.

Het moedigde hem aan. Hij vertelde me dat in december alles goed zou komen. Fijn om te horen want feestdagen zonder lief duren lang en leiden tot te veel onhoudbare goede voornemens.

‘Geef me je naam.’ Hij had een Bic in de aanslag. Ik ontnuchterde weer. Het oogwenkje over mijn ludduvudduh had me van mijn sceptische à propos gebracht. Maar het opheffen van mijn anonimiteit was een brug te ver.

Het is een bekende tactiek van luchtverkopers. Je gooit wat waarschijnlijkheden naar iemands hoofd en er is altijd wel eentje die doel raakt. Mensen die doelbewust een medium of kwakzalver opzoeken, zullen altijd te horen krijgen dat een groot verdriet ze getroffen moet hebben. Allicht, wat denk je dat ze kwamen zoeken in je wichelroedetent?

Maar kwakzalvers bevinden zich niet alleen in de negorij van het paranormale. Ook de harde wereld van geld verdienen kent haar zwakke plekken. Daar worden ze ‘coaches’ genoemd. Ik ontmoette mijn eerste op mijn negentiende. Ik had een jaar aan de universiteit verkloot en had geen flauw idee wat ik met mijn leven aan moest. Mijn pa stuurde me naar zijn coach. Die had hem duurbetaalde cursussen laten volgen.

Blijkbaar hadden die geholpen want toen ik door mijn existentiële ‘O-shit-ik-ben-gebuisd-wat nu?- crisis ging, was mijn vader overtuigd dat één sessie me terug op de rails zou zetten.

Voor veel geld kon ik een keer bij de man langs. Hij ontving me in een vergaderruimte die volhing met posters die het leven onderdeelden in motieven, doelen en hoe die twee met elkaar in verband te brengen. Ik had lang haar en zei dus dat hij met die zever niet bij mij moest aankomen.

‘Dat klopt,’ zei hij mij meteen, ‘daar ben je te intelligent voor.’

Dat moet een snaar geraakt hebben want een uur lang knikte ik beleefd tegen al zijn schema’s en plannen van aanpak. Ik ging ermee aan de slag en over een paar weken zou er een telefonische evaluatie volgen.

Vol goede moed zakte ik nog voor het einde van de week in de gebruikelijke, postpuberale apathie. Voor de evaluatie besloot ik mijn beste leugens boven te halen. Dat was niet nodig. De coach was mijn naam vergeten en na een paar ongemakkelijke momenten, begon hij in veilige algemeenheden me verder raad te geven. Ik was teleurgesteld en mijn vader geld kwijt.

Dat zou mijn geBicte straatwaarzegger niet zijn overkomen. Alleen moet die wel nog aan zijn businessplan schaven. Want als in december alles goed komt, waar heb ik hem dan nog voor nodig?

14/10/2010

  • 14 oktober 2010