De stapel

Ruth Lasters
Ruth Lasters werkt als leerkracht Frans in Borgerhout. Vorig jaar verscheen haar tweede roman Feestelijk Zweet.

Yves Eppes voert al jarenlang een ware uitputtingsslag tegen ‘de stapel’ op zijn bureau. Nooit sluit hij de dag af met een tevreden gevoel, wetende dat al zijn werk gedaan is. Nooit ploft hij thuis ontspannen in de zetel naast zijn echtgenote Esther die vrolijk zapt naar lifestyleprogramma’s over permanent epileren en emigreren naar paradijselijke oorden. Immer verschijnt zijn toren onverstuurde facturen en onvolledige bestelbons voor zijn geestesoog: achtendertig centimeter pure stress en onbehagen.

Zo nu en dan meet hij ook stiekem de stapels achterstallig werk van zijn collega’s die steeds in hoogte blijken af te nemen, terwijl de zijne zich net uitbreidt als een ongebreideld gezwel. Als zijn toren reeds hoger dan een meter is en dus zelfs groter dan zijn vierjarige zoon, neemt Yves er een gedeelte van mee naar huis om wat werk in te halen in zijn vrije tijd. Maar hoe meer avonden en weekends hij eraan besteedt, hoe sneller de hoop paperassen op zijn bureau lijkt toe te nemen. Alsof hij uitzaaiingen veroorzaakt door de documenten naar huis en terug te vervoeren, waardoor de kwaal een ernstiger niveau bereikt. De onbehandelde dossiers vermenigvuldigen zich sneller dan ooit.

Op een avond blijkt de stapel exact even hoog als hijzelf. Het lijkt alsof hij die toren is geworden en hij elk moment in honderden vellen papier kan wegwaaien. Yves Eppes raapt zichzelf bij elkaar, geeft zijn ontslag en solliciteert succesvol voor een job als animator in een rusthuis, een baan die dan wel een aanzienlijk loonverlies met zich meebrengt, maar ook en vooral een drastische daling van administratieve rompslomp, meent hij. Voortaan vermaakt Yves Eppes bejaarden. Hij maakt samen met hen het huis uit hun kindertijd na uit papier-maché en leert hun sieraden vervaardigen uit gedroogde sinaasappelschillen.

’s Avonds ploft hij uitgeput maar volkomen relaxed op de bank, naast zijn eega en levensgenietster Esther. Tot hij vijf maanden of honderden senioren later, telefoon krijgt van het afdelingshoofd dat het logboek wil inkijken waarin zijn voorbije projecten moeten staan vermeld, alsook de persoonlijke mapjes van alle bejaarden die hij heeft geëntertaind. Zij dienen immers elk een dossier te hebben bij hem waarin de tijdstippen van de gedane activiteiten zijn opgetekend, de humeurveranderingen die daarbij optraden, hun motorische moeilijkheden, mogelijke geheugenproblemen en socio-emotionele vorderingen binnen de groep.

‘Als u mij zegt waar die mapjes liggen, vul ik ze alsnog in’, excuseert Eppes zich om zijn nalatigheid. Pas als hij de dossiers noodgedwongen mee naar huis heeft genomen en op drie stapels in zijn woonkamer heeft gelegd, beseft hij de omvang van zijn administratieve achterstand. Hij blijft er als verlamd naar staren, naar de hoogste toren die zijn eigen lichaamslengte evenaart, de middelhoge die zo groot is als Esther, de laagste die iets weg heeft van de gedaante van zijn kind. Zijn godganse gezin lijkt daar wel in het schemer te staan.

(rl) 

29/03/2011

  • 29 maart 2011