Uitgebreid zoeken
Toon zoeken
Recente Zoekopdrachten Wissen

Anseel & Denys

Talent is overschat

Jan Denys
“Hoeveel keer geven we niet ergens de brui aan ‘omdat we er toch geen talent voor hebben’?” (Jan Denys, arbeidsmarktdeskundige Randstad en auteur van ‘Free to work’ en ‘Uw werk, uw merk’)

We geloven sterk in talent. Bij de geboorte krijgen we van moeder natuur talent mee. Het is aan ons om het te ontdekken en te ontwikkelen. Talent is de fundamentele driver van grote menselijke prestaties in het algemeen en economische groei in het bijzonder. Toch is het opvallend dat heel wat mensen er niet in slagen om hun talent te vinden en zeker niet om het te ontwikkelen. Te goed verstopt of gewoon niet aanwezig?

Als talent zo doorslaggevend is, dan zijn er toch heel wat gebeurtenissen die moeilijk te verklaren zijn. In de jaren ’80 kwam meer dan de helft van de Britse tafeltenniskampioenen uit één enkele straat. Eén van hen was Matthew Syed wiens boek ‘Bounce, The Myth of Talent’, mij inspireerde tot deze column. Was hier sprake van een genetische afwijking die was neergeslagen in deze ene straat en de betrokken jongeren een strategisch voordeel gaf? Uiteraard niet. De betrokken jongeren werden aangetrokken door een plaatselijke leraar en ze konden beroep doen op een lokale club waar ze altijd terecht konden. Ze spendeerden duizenden uren in de club waar ze hun skills systematisch verbeterden en elkaar stimuleerden om steeds beter te doen.

Grote inspanningen

In 1991 onderzocht de Amerikaanse psycholoog Ericsson de oorzaken van uitmuntende prestaties. Hij vergeleek drie groepen violisten. De eerste groep bestond uit de zogenaamde supertalenten, de tweede groep haalde nog steeds uitstekende resultaten maar was niet goed genoeg om solo te spelen. De derde groep had vooral viool gestudeerd met als doel om later les te geven. De drie groepen bleken op heel wat punten gelijk te scoren. Ze begonnen op gelijke leeftijd viool te spelen, beslisten in hetzelfde levensjaar dat ze met vioolspelen hun brood wilden verdienen enzovoort.

Er bleek maar één heel groot verschil tussen de drie groepen: het aantal uren praktijk. De topgroep bleek bijna tienduizend uren geoefend te hebben, tweeduizend meer dan de middengroep en maar liefst zesduizend meer dan de derde groep. Het meest verrassende was dat er geen uitzonderingen waren. Niemand die zeer hard had gewerkt was er niet in geslaagd om tot de topgroep door te dringen. Omgekeerd zat er in de topgroep niemand die weinig had gewerkt.

Inspanning nodig

Uiteraard bewijst deze studie niet dat talent geen rol speelt. Ook mag niet zomaar aangenomen worden dan het verwerven van competenties in de wereld van de muziek zo maar te veralgemenen is naar andere domeinen. Maar wat moeilijk kan ontkend worden is dat grote prestaties zonder grote en langdurig volgehouden inspanningen niet mogelijk zijn.

De gevolgen van dit inzicht zijn aanzienlijk. Hoeveel keer geven we niet ergens de brui aan ‘omdat we er toch geen talent voor hebben’? Eigenlijk willen we niet altijd de inspanningen leveren om tot een gewenst resultaat te komen.

(jd)